Hoger beroep vreemdeling over terugkeerbesluit ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4511, Raad van State, 31-07-2026, 202503807/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 7 november 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de staatssecretaris het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, vertegenwoordigd door een advocaat in Den Haag, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke zaak. Het geschil betreft vermoedelijk een terugkeerbesluit en een SIS-signalering inzake terugkeer, waarbij vragen spelen over de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat en het evenredigheidsbeginsel.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden, nu de relevante rechtsvragen reeds eerder door de Afdeling zijn beantwoord.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevat geen nieuwe rechtsoordelen en is puur procedureel van aard; zij verwijst uitsluitend naar reeds gevormde jurisprudentie en past een standaard afdoeningsgrond toe op basis van artikel 91 lid 2 Vw 2000.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: geen nadere motiveringsplicht bij ontbreken van relevante rechtsvragen.
- 2De rechtsvragen over aanwezigheid op het grondgebied en evenredigheidsbeginsel bij SIS-signalering zijn al beantwoord in RvS 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168.
- 3Er bestaan geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht die een prejudiciële verwijzing rechtvaardigen (HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243).
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5De zaak is afgedaan door een enkelvoudige kamer, wat de relatief geringe rechtsvraagzwaarte onderstreept.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 en verwijst expliciet naar de eerder gevormde jurisprudentie over SIS-signalering en het evenredigheidsbeginsel uit juli 2026, zonder nieuwe rechtsregels te stellen.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat het terugkeerbesluit en de SIS-signalering onherroepelijk worden, zonder aanspraak op proceskostenvergoeding.
Onderwerp-impact
Binnen het vreemdelingenrecht bevestigt deze uitspraak dat rechtsvragen over SIS-signalering en de aanwezigheidsvereiste bij terugkeerbesluiten als uitgekristalliseerd worden beschouwd na de uitspraak van 17 juli 2026.
Samenvatting
In deze vreemdelingenrechtelijke zaak stelde een vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. Het geschil draait om een terugkeerbesluit en een daarmee samenhangende SIS-signalering. Specifiek speelden rechtsvragen over de vereiste aanwezigheid van de vreemdeling op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt, alsmede over de toepassing van het evenredigheidsbeginsel in relatie tot die signalering. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De Afdeling past daartoe artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000 toe, op grond waarvan een nadere motivering achterwege kan blijven wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Die situatie doet zich hier voor, omdat de relevante rechtsvragen over SIS-signalering en het evenredigheidsbeginsel reeds eerder zijn beantwoord in de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4168, rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 7.4). Het hogerberoepschrift biedt geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Bovendien rijzen er geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht die een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie zouden rechtvaardigen, zoals volgt uit het arrest Remling van 24 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:243). De minister wordt niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is van beperkte zelfstandige juridische betekenis en bevestigt slechts de inmiddels vaste lijn in de jurisprudentie.