Hoger beroep niet-ontvankelijk na alsnog genomen asielbesluiten
ECLI:NL:RVS:2026:4510, Raad van State, 03-08-2026, 202406014/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 13 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, hoger beroepen ingesteld. Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvraag van appellant 1 ingewilligd.
Kern van de zaak
Appellanten dienden op 8 november 2023 asielaanvragen in. De minister nam niet tijdig een besluit, waarop appellanten in beroep en hoger beroep gingen wegens het uitblijven van een beslissing.
Beslissing van de rechter
De hoger beroepen zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister hangende de procedure alsnog besluiten nam op de asielaanvragen, waarmee appellanten hun procesdoel bereikten. De minister wordt desondanks in de proceskosten veroordeeld (€ 467,00) omdat hij de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging via WBV 2023/3.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande procesrechtelijke kaders toe op een concrete niet-tijdig-beslist zaak en heeft beperkte precedentwerking; de grotere rechtsvraag (WBV 2023/3) is al beantwoord in het HvJ-arrest Safita.
Belangrijkste punten
- 1Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens het bereiken van het procesdoel door alsnog genomen besluiten
- 2Minister overschreed de maximale beslistermijn van vijftien maanden, ongeacht de rechtmatigheid van verlenging met WBV 2023/3
- 3HvJ-arrest Safita (5 maart 2026) beantwoordde prejudiciële vragen over rechtmatigheid verlenging beslistermijn, maar heeft geen invloed op de proceskostenveroordeling
- 4Wegingsfactor 0,5 toegepast omdat de beroepen uitsluitend betrekking hadden op het niet tijdig beslissen
- 5Beroep tegen besluit van 5 maart 2026 verwezen naar rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat overschrijding van de vijftiende-maandstermijn in asielzaken leidt tot een proceskostenveroordeling, ook wanneer de rechtmatigheid van de tussentijdse verlenging via WBV 2023/3 niet meer beoordeeld hoeft te worden. Het HvJ-arrest Safita biedt daarmee geen bescherming aan de minister wat betreft proceskosten.
Praktische impact
Asielzoekers wier aanvraag te laat is beslist, hebben recht op vergoeding van proceskosten zelfs als de minister hangende de procedure alsnog beslist. De verwijzing van het inhoudelijke beroep naar de rechtbank betekent dat de zaak ten gronde nog voortgaat.
Onderwerp-impact
In asielzaken waar de beslistermijn is overschreden en WBV 2023/3 is toegepast, kunnen appellanten rekenen op proceskostenvergoeding, ongeacht de uitkomst van de Europeesrechtelijke discussie over de verlenging van de beslistermijn.
Samenvatting
In deze zaak hadden appellanten hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wegens het niet tijdig nemen van besluiten op hun asielaanvragen van 8 november 2023. De minister had de beslistermijn verlengd met toepassing van WBV 2023/3, waarover de Afdeling eerder prejudiciële vragen had gesteld aan het Hof van Justitie. Dit hof beantwoordde die vragen op 5 maart 2026 in het arrest Safita. Hangende de hoger beroepsprocedure nam de minister alsnog besluiten op de aanvragen, te weten op 21 januari 2026 en 5 maart 2026. Daarmee hadden appellanten hun procesdoel bereikt en verklaarde de Afdeling de hoger beroepen niet-ontvankelijk. De centrale resterende rechtsvraag was of appellanten recht hadden op vergoeding van proceskosten. De Afdeling beantwoordde dit bevestigend. Zij stelde vast dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging via WBV 2023/3, de maximale beslistermijn van vijftien maanden had overschreden. De uitkomst van het Safita-arrest had in dit concrete geval geen invloed op de proceskostenvraag. Op grond hiervan werd de minister veroordeeld tot betaling van € 467,00 aan proceskosten. De Afdeling merkte de hogerberoepschriften aan als samenhangend en paste wegingsfactor 0,5 toe omdat de beroepen uitsluitend betrekking hadden op het niet tijdig beslissen. Ten aanzien van het besluit van 5 maart 2026 liet appellant A weten dit besluit niet aan de Afdeling te willen voorleggen, waarna het bijbehorende beroep werd verwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, voor inhoudelijke behandeling. De uitspraak illustreert dat termijnoverschrijding in asielzaken procesrechtelijke consequenties heeft, ook wanneer de inhoudelijke rechtsgrondslag van de verlenging Europeesrechtelijk is betwist.