JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1491Hoog62/100

Hoge Raad: lagere rechter mag HR-rechtspraak volgen zonder prejudiciële vragen

ECLI:NL:HR:2026:1491, Hoge Raad, 18-09-2026, 25/02600

Hoge RaadUitspraak: 18 september 2026Publicatie: 17 september 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:25/02600
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Hoge Raad
Prejudiciele Vragen
Termijnoverschrijding
Bpm
Artikel 267 Vweu

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Belasting van personenauto's en motorrijwielen; Art. 30h AWR; art. 110 VWEU. In rekening brengen van belastingrente bij naheffing van belasting van personenauto's en motorrijwielen niet in strijd met art. 110 VWEU.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige (belanghebbende) betwistte een naheffingsaanslag bpm en voerde aan dat het Hof het Unierecht niet mocht toepassen conform Hoge Raad-rechtspraak, omdat de Hoge Raad daarvoor geen prejudiciële vragen aan het HvJ EU had gesteld. Tevens speelden vragen over hoorplicht, wettelijke rente op griffierechten en proceskostenvergoeding wegens termijnoverschrijding.

Beslissing van de rechter

Het cassatiemiddel wordt verworpen: artikel 267, derde alinea, VWEU staat er niet aan in de weg dat een rechter wiens beslissingen vatbaar zijn voor cassatie, de rechtspraak van de Hoge Raad over Unierechtelijke uitleg volgt, ook als de Hoge Raad daarvoor geen prejudiciële vragen heeft gesteld. Doorslaggevend is dat uitsluitend de Hoge Raad zelf als hoogste rechter verplicht is tot prejudiciaalverwijzing, niet de lagere instanties.

62van 100

Impactscore

Hoog

De Hoge Raad stelt een duidelijke rechtsregel over de verhouding tussen nationale rechtslagen en de prejudiciële verwijzingsplicht, met directe werking voor vele belastingprocedures; hoewel de regel aansluit bij bestaand EU-recht, is de expliciete bevestiging door de Hoge Raad richtinggevend voor de belastingpraktijk.

Belangrijkste punten

  • 1Lagere rechters (niet-hoogste instanties) zijn niet verplicht prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU en mogen nationale hoogste-rechtspraaklijn volgen
  • 2Alleen de rechter in laatste aanleg heeft de verwijzingsplicht ex artikel 267 lid 3 VWEU; lagere rechters kunnen de Hoge Raad-lijn toepassen
  • 3Termijnoverschrijding van 26 maanden in bezwaar- en beroepsfase staat vast, met gevolgen voor proceskostenvergoeding
  • 4Vragen over wettelijke rente op door rechter geheven griffierechten en hoogte immateriëleschadevergoeding spelen eveneens
  • 5De Hoge Raad bevestigt de constitutionele taakverdeling tussen nationale rechters en HvJ EU binnen het prejudiciëlestelsel

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat de prejudiciaire verwijzingsplicht uitsluitend rust op de rechter in laatste aanleg en dat lagere rechters niet zelfstandig verplicht zijn tot verwijzing wanneer zij de rechtspraak van de Hoge Raad volgen. Dit is een bevestiging van bestaande EU-rechtelijke systematiek, maar nu expliciet gearticuleerd door de Hoge Raad.

Praktische impact

Belastingplichtigen kunnen lagere belastingrechters niet dwingen zelf prejudiciële vragen te stellen louter omdat de Hoge Raad dat eerder niet deed; het debat over Unierechtelijke uitleg moet worden gevoerd in cassatie bij de Hoge Raad zelf.

Onderwerp-impact

Voor bpm-procedures en andere belastingzaken waarbij Unierechtelijke argumenten worden gevoerd, beperkt deze uitspraak de processuele strategie: lagere rechters volgen de Hoge Raad-lijn en zijn daartoe gerechtigd.

Samenvatting

In deze zaak stond een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) centraal. Naast inhoudelijke vragen over de aanslag speelden procedurele kwesties: was de hoorplicht geschonden, heeft belanghebbende recht op wettelijke rente over vergoede griffierechten, en moet de proceskostenvergoeding wegens termijnoverschrijding worden verhoogd? De meest principiële rechtsvraag betrof echter de Unierechtelijke verwijzingsplicht. Belanghebbende betoogde dat het Gerechtshof niet had mogen volstaan met verwijzing naar Hoge Raad-rechtspraak over de uitleg van Unierecht, omdat de Hoge Raad die rechtspraak had gewezen zonder zelf prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. Volgens belanghebbende is het HvJ EU bij uitsluiting bevoegd het Unierecht bindend uit te leggen en had het Hof zelf de zaak moeten voorleggen aan Luxemburg. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Artikel 267, derde alinea, VWEU legt de verwijzingsplicht uitsluitend op de rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep — in Nederland de Hoge Raad. Een gerechtshof, wiens uitspraken wel vatbaar zijn voor cassatie, is niet zelfstandig verplicht prejudiciële vragen te stellen en mag de rechtspraak van de Hoge Raad over Unierechtelijke uitleg toepassen, ook als de Hoge Raad dat deed zonder voorafgaande verwijzing naar het HvJ EU. De Hoge Raad bevestigt daarmee de constitutionele taakverdeling binnen het prejudiciëlestelsel: de verantwoordelijkheid voor eventuele verwijzing lag bij de Hoge Raad zelf, niet bij het Hof. Voorts staat vast dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep met 26 maanden is overschreden, hetgeen gevolgen heeft voor de toe te kennen immateriëleschadevergoeding en proceskostenvergoeding. De uitspraak heeft praktische betekenis voor belastingplichtigen die Unierechtelijke argumenten willen voeren: de aangewezen weg is het debat in cassatie bij de Hoge Raad, niet het forceren van prejudiciële verwijzing door lagere instanties.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1511

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

28/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1519

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1485

Hoge Raad verklaart cassatie ongegrond, termijnoverschrijding geconstateerd

18/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1525

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied