Uitzetting opgeschort vanwege prejudiciële vraag over vrijwillig vertrek
ECLI:NL:RVS:2026:4509, Raad van State, 31-07-2026, BRS.26.003897
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 9 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 6 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling dreigde te worden uitgezet en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening. In afwachting van de uitkomst van een eerder door de Afdeling gestelde prejudiciële vraag aan het Europees Hof over de uitleg van het begrip 'vrijwillig' in de Terugkeerrichtlijn, kon het hoger beroep niet worden afgedaan zonder nader onderzoek.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is de openstaande prejudiciële vraag van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2026:2660) over de uitleg van 'vrijwillig' in artikel 3, derde lid, derde streepje, van Richtlijn 2008/115/EG, die nader onderzoek vereist dat zich niet leent voor de voorlopige voorzieningsprocedure.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is procedureel van aard en betreft een voorlopige voorziening in een individuele zaak, maar heeft bredere relevantie doordat zij direct koppelt aan een openstaande prejudiciële vraag die meerdere vergelijkbare zaken kan raken.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: schorsing uitzetting totdat op hoger beroep is beslist
- 2Grondslag is openstaande prejudiciële vraag RvS van 13 mei 2026 over uitleg 'vrijwillig' in Terugkeerrichtlijn (art. 3 lid 3 Richtlijn 2008/115/EG)
- 3De voorlopige voorzieningsprocedure leent zich niet voor het nader onderzoek dat het hoger beroep vereist
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00 wegens beroepsmatige rechtsbijstand
- 5Uitspraak heeft een voorlopig karakter en eindigt zodra de Afdeling uitspraak doet in het hoger beroep
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert hoe een lopende prejudiciële procedure bij het HvJEU direct doorwerkt in individuele zaken: zolang de vraag over de uitleg van de Terugkeerrichtlijn onbeantwoord is, schort de voorzieningenrechter uitzetting op. Dit bevestigt de beschermende werking van prejudiciële vragen in het vreemdelingenrecht.
Praktische impact
De vreemdeling verkrijgt opschorting van de uitzetting en heeft recht op verdere behandeling van haar zaak, inclusief mogelijk opvang en verstrekkingen, totdat de Afdeling definitief beslist. De minister draagt de proceskosten.
Onderwerp-impact
In vergelijkbare zaken waarin het begrip 'vrijwillig vertrek' uit de Terugkeerrichtlijn een rol speelt, kunnen vreemdelingen met een verwijzing naar dezelfde prejudiciële vraag aanspraak maken op schorsing van uitzetting in afwachting van Europese duidelijkheid.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een vreemdeling de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat zij niet zou worden uitgezet voordat op haar hoger beroep zou zijn beslist, en dat zij recht zou krijgen op opvang en verstrekkingen. De minister van Asiel en Migratie had kennelijk een terugkeerbesluit genomen waarvan de rechtmatigheid in hoger beroep ter discussie staat. De centrale juridische vraag in de onderliggende zaak betreft de uitleg van het begrip 'vrijwillig' in artikel 3, derde lid, derde streepje, van Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). De Afdeling heeft over dit begrip op 13 mei 2026 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:NL:RVS:2026:2660). Zolang het antwoord op die vraag uitstaat, is het hoger beroep niet rijp voor een inhoudelijke beoordeling, omdat nader onderzoek is vereist dat zich niet leent voor de beperkte toetsingskader van een voorlopige voorzieningsprocedure. De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling in het hoger beroep uitspraak heeft gedaan. Daarmee wordt haar rechtspositie beschermd in afwachting van de Europese rechtsontwikkeling. De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 934,00 aan proceskosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft een voorlopig karakter en vervalt van rechtswege zodra de bodemuitspraak in hoger beroep is gedaan. De zaak onderstreept hoe prejudiciële procedures bij het HvJEU bescherming kunnen bieden aan individuele vreemdelingen wier zaak afhangt van de te beantwoorden Unierechtelijke vraag.