Griekse statushouder krijgt uitzettingsverbod hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4506, Raad van State, 30-07-2026, BRS.26.003739
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 29 mei 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 15 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven voor zover het gaat over de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond.
Kern van de zaak
Een Griekse statushouder (verzoeker) dreigde te worden uitgezet en had geen opvang of verstrekkingen. Zij verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening hangende haar hoger beroep tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening toegewezen: verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is dat de Afdeling bestuursrechtspraak op 8 juli 2026 prejudiciële vragen heeft gesteld over Griekse statushouders, waardoor het hoger beroep nader onderzoek vergt dat zich niet leent voor de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Impactscore
MiddelDe uitspraak zelf is een routinematige voorlopige voorziening, maar de koppeling aan een bredere prejudiciële vraagstelling over Griekse statushouders geeft haar enig collectief belang. De werkelijke juridische impact hangt af van de beantwoording van de prejudiciële vragen in de hoofdzaak.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzettingsverbod totdat hoger beroep is beslist
- 2Aanleiding is de prejudiciële vraagstelling van de Afdeling d.d. 8 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3878) over Griekse statushouders
- 3Het hoger beroep vergt nader onderzoek dat zich niet leent voor de voorlopige-voorzieningenprocedure
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,00 voor rechtsbijstand
- 5Uitspraak betreft een voorlopige maatregel; de inhoudelijke beoordeling volgt in de hoofdprocedure
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat lopende prejudiciële vragen bij de Afdeling over Griekse statushouders voldoende reden zijn om uitzetting te schorsen, hetgeen de rechtspositie van deze groep tijdelijk versterkt. Dit sluit aan bij een bredere lijn waarbij onzekerheid over EU-rechtelijke vragen leidt tot opschorting van terugkeerprocedures.
Praktische impact
Verzoeker kan voorlopig niet worden uitgezet en behoudt daarmee de facto haar verblijf in Nederland totdat het hoger beroep inhoudelijk is behandeld. De minister draagt de proceskosten, wat ook voor andere Griekse statushouders in vergelijkbare situaties een signaal geeft.
Onderwerp-impact
In zaken betreffende Griekse statushouders zal de prejudiciële procedure bij de Afdeling de uitkomst van talrijke individuele uitzettingsprocedures beïnvloeden; lopende zaken zullen vermoedelijk worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.
Samenvatting
Op 30 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening getroffen in een zaak betreffende een Griekse statushouder die dreigde te worden uitgezet. Verzoeker had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en verzocht tegelijkertijd om schorsing van de uitzetting en om toekenning van opvang en verstrekkingen hangende dat beroep. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen voor zover het de uitzetting betreft. De doorslaggevende overweging is dat de Afdeling bestuursrechtspraak op 8 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3878) prejudiciële vragen heeft gesteld over de rechtspositie van Griekse statushouders. Deze openstaande vragen brengen mee dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, waarvoor de snelle voorlopige-voorzieningenprocedure zich niet leent. Zolang op het hoger beroep niet is beslist, mag verzoeker niet worden uitgezet. De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De juridische betekenis van deze uitspraak overstijgt de individuele zaak enigszins: zij laat zien dat de lopende prejudiciële procedure over Griekse statushouders een zelfstandige grond vormt voor het treffen van een uitzettingsverbod. Daarmee wordt de uitzetting van een potentieel grotere groep Griekse statushouders de facto opgeschort totdat de Afdeling de prejudiciële vragen heeft beantwoord en inhoudelijk uitspraak doet. De uitkomst van die hoofdprocedure zal bepalend zijn voor de structurele rechtspositie van deze groep in Nederland.