Hoger beroep vreemdeling niet-ontvankelijk na vrijwillig vertrek naar Turkije
ECLI:NL:RVS:2026:4502, Raad van State, 03-08-2026, BRS.26.002482
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een vreemdeling had hoger beroep ingesteld bij de Raad van State over een verblijfstitel. Hangende de procedure vertrok hij met hulp van de IOM vrijwillig naar Turkije. In zijn vertrekverklaring stemde hij expliciet in met beëindiging van alle openstaande verblijfsprocedures.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant door zijn vrijwillig vertrek en de ondertekende vertrekverklaring geen procesbelang meer heeft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard procedurele uitkomst op basis van vaste jurisprudentie over procesbelang; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Appellant vertrok met IOM-ondersteuning vrijwillig naar zijn land van herkomst Turkije
- 2De ondertekende vertrekverklaring bevatte een expliciete instemming met beëindiging van openstaande verblijfsprocedures
- 3Door het ontbreken van procesbelang is het hoger beroep niet-ontvankelijk
- 4De minister heeft de Afdeling proactief geïnformeerd over het vertrek bij brief van 10 juni 2026
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat vrijwillig vertrek gecombineerd met een expliciete afstandsverklaring van lopende verblijfsprocedures het procesbelang doet vervallen. Dit levert geen nieuwe rechtsontwikkeling op, maar past de bestaande rechtspraak over procesbelang in vreemdelingenzaken toe.
Praktische impact
Vreemdelingen die met IOM-ondersteuning vrijwillig vertrekken en een vertrekverklaring ondertekenen, dienen zich ervan bewust te zijn dat zij daarmee ook lopende gerechtelijke procedures definitief beëindigen. Een terugkeer naar de procedure is na ondertekening niet meer mogelijk.
Onderwerp-impact
Voor de uitvoeringspraktijk rond vrijwillige terugkeer benadrukt dit vonnis het belang van heldere en ondubbelzinnige informatieverstrekking aan vertrekkende vreemdelingen over de juridische gevolgen van het ondertekenen van een vertrekverklaring.
Samenvatting
In deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 augustus 2026 stond de ontvankelijkheid van een hoger beroep in een verblijfsrechtelijke procedure centraal. De appellant, bijgestaan door een advocaat in Gouda, had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister over een verblijfstitel. Hangende de hogerberoepsprocedure informeerde de minister de Afdeling bij brief van 10 juni 2026 dat appellant met begeleiding van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) vrijwillig was vertrokken naar Turkije, zijn land van herkomst. Bij zijn vertrek had appellant een vertrekverklaring ondertekend, waarin hij expliciet had ingestemd met de beëindiging van alle nog openstaande procedures gericht op het verkrijgen van een verblijfstitel in Nederland. De juridische vraag die de Afdeling moest beantwoorden, was of appellant onder deze omstandigheden nog een rechtens te respecteren belang had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep. De Afdeling beantwoordt die vraag ontkennend. Door het vrijwillige vertrek in combinatie met de ondubbelzinnige, door appellant zelf ondertekende afstandsverklaring, is het procesbelang komen te vervallen. Zonder procesbelang kan een hoger beroep niet inhoudelijk worden behandeld en dient het niet-ontvankelijk te worden verklaard. De Afdeling volgt daarmee de vaste lijn in de jurisprudentie dat een appellant een actueel en reëel belang moet hebben bij de uitkomst van de procedure. Nu appellant Nederland heeft verlaten en zelf heeft ingestemd met beëindiging van zijn verblijfsprocedures, ontbreekt dat belang. De minister wordt niet veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is enkelvoudig gedaan en heeft geen bijzondere precedentwerking; zij past de bestaande rechtspraak routinematig toe op de feiten van dit concrete geval.