Voorlopige voorziening: uitzetting asielzoeker geschorst tot hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4493, Raad van State, 03-08-2026, BRS.26.003588
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 7 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 19 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een asielzoeker heeft bij de voorzieningenrechter van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening om niet te worden uitgezet hangende zijn hoger beroep. Tevens verzocht hij om opvang en verstrekkingen te ontvangen gedurende de procedure.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe: de asielzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00; de beslissing over opvang en verstrekkingen wordt niet expliciet vermeld als toegewezen in het dictum.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele tussenbeslissing die geen nieuw recht schept; de uitkomst volgt een vaste lijn in de jurisprudentie en heeft alleen gevolgen voor de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen op grond van de vaste lijn in de rechtspraak van de Afdeling (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 2Uitzetting geschorst totdat de Afdeling bestuursrechtspraak heeft beslist op het hoger beroep
- 3Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,00 voor professionele rechtsbijstand
- 4Verzoek om opvang en verstrekkingen is meegenomen in de beoordeling maar niet afzonderlijk in het dictum opgenomen
- 5Uitspraak is summier gemotiveerd; de inhoudelijke gronden zijn niet volledig zichtbaar in de beschikbare tekst
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past in de vaste lijn waarbij de Raad van State bij vreemdelingenzaken standaard een schorsende werking toekent hangende hoger beroep, in lijn met ECLI:NL:RVS:2019:457. Geen nieuwe rechtsnorm wordt gesteld.
Praktische impact
De asielzoeker mag tijdelijk in Nederland blijven en wordt beschermd tegen uitzetting totdat de hoger beroepsprocedure is afgerond; de minister draagt de proceskosten.
Onderwerp-impact
In het asiel- en migratierecht bevestigt deze uitspraak de praktijk dat voorlopige voorzieningen in vreemdelingenzaken relatief snel worden toegewezen om onomkeerbare situaties te voorkomen.
Samenvatting
In deze zaak heeft een asielzoeker bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij verzocht om schorsing van zijn uitzetting gedurende de behandeling van zijn hoger beroep, alsmede om opvang en verstrekkingen. De juridische vraag was of er voldoende grond bestaat om de gedwongen terugkeer te schorsen in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure in hoger beroep. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en bepaald dat de asielzoeker niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. De beslissing is gegrond op de vaste jurisprudentielijn van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), op grond waarvan in dit type zaken een voorlopige voorziening wordt getroffen wanneer de aangevoerde gronden daartoe aanleiding geven. De inhoudelijke gronden die verzoeker heeft aangedragen zijn in de beschikbare tekst niet volledig weergegeven, waardoor de specifieke feitelijke onderbouwing onzeker blijft. Naast de schorsing van de uitzetting is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de asielzoeker, vastgesteld op € 934,00, volledig toe te rekenen aan professioneel verleende rechtsbijstand. Het verzoek om opvang en verstrekkingen maakt onderdeel uit van het gehele verzoek, maar wordt niet afzonderlijk in het dictum vermeld. Deze uitspraak heeft een beperkte bredere juridische impact: zij bevestigt een bestaande praktijk en schept geen nieuw recht. Voor de betrokken asielzoeker is de praktische betekenis echter groot, nu onomkeerbare uitzetting tijdelijk wordt voorkomen.