Uitzetting vreemdeling geschorst in afwachting hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4492, Raad van State, 03-08-2026, BRS.26.003611
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft bij de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen en opvang te krijgen, in afwachting van de behandeling van zijn hoger beroep in een asielprocedure.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Doorslaggevend is dat de voorzieningenrechter op grond van de aangevoerde gronden voldoende spoedeisend belang en gronden aanwezig acht om de voorziening te treffen, conform de lijn van de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard voorlopige voorzieningsbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is conform vaste jurisprudentie en heeft geen precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort totdat hoger beroep is beslist
- 2Verzoek omvat ook opvang en verstrekkingen voor verzoeker
- 3Voorzieningenrechter verwijst naar vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad € 934,00
- 5Uitspraak is summier gemotiveerd; inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep volgt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste praktijk dat de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak bij spoedeisend belang een schorsende werking kan toekennen aan een hoger beroep in vreemdelingenzaken, ook wanneer hoger beroep in beginsel geen schorsende werking heeft.
Praktische impact
De vreemdeling wordt beschermd tegen uitzetting zolang de hogerberoepsprocedure loopt, en heeft recht op opvang en verstrekkingen gedurende die periode.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratieprocedures biedt dit type voorlopige voorziening een belangrijk vangnet voor vreemdelingen die dreigen te worden uitgezet voordat hun zaak inhoudelijk is beoordeeld.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij verzocht om schorsing van zijn uitzetting totdat op zijn hoger beroep is beslist, alsmede om toekenning van opvang en verstrekkingen. De zaak speelt zich af in het kader van een asielprocedure waarbij hoger beroep is ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep nog niet is behandeld. De motivering is beknopt: de voorzieningenrechter overweegt dat gelet op de aangevoerde gronden aanleiding bestaat de voorlopige voorziening te treffen, onder verwijzing naar de vaste Afdelingsuitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Deze uitspraak vormt de standaardreferentie voor het verlenen van schorsende werking in vreemdelingenzaken hangende hoger beroep. Daarnaast is de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand. De uitspraak is inhoudelijk beperkt; zij raakt niet de grond van de asielzaak zelf, maar regelt uitsluitend de rechtspositie van de vreemdeling in afwachting van de inhoudelijke beslissing in hoger beroep. De praktische betekenis voor de vreemdeling is echter groot: hij is beschermd tegen gedwongen vertrek en heeft recht op opvang gedurende de lopende procedure. Juridisch gezien betreft het een routinematige toepassing van gevestigde jurisprudentie zonder nieuwe rechtsontwikkeling.