Uitzetting vreemdeling opgeschort in afwachting hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4490, Raad van State, 03-08-2026, BRS.26.003602
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 28 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 8 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij vroeg de voorzieningenrechter om zijn uitzetting te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen te krijgen.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. Doorslaggevend was het door verzoeker aangevoerde, beoordeeld conform de vaste lijn van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een procedurebeslissing (voorlopige voorziening) in een individuele zaak op basis van vaste jurisprudentie; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de inhoudelijke vraag wordt nog niet beantwoord.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort tot beslissing op hoger beroep
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen mede ingediend naast schorsingsverzoek
- 3Afdeling past vaste jurisprudentielijn toe (ECLI:NL:RVS:2019:457) bij toewijzing
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak is een voorlopige voorziening, geen eindoordeel over het hoger beroep
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de vaste Afdelingsrechtspraak inzake voorlopige voorzieningen in vreemdelingenzaken, waarbij bij voldoende onderbouwing uitzetting wordt opgeschort. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
De vreemdeling wordt voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft recht op proceskosten; de minister dient de procedure af te wachten alvorens tot verwijdering over te gaan.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratiezaken biedt dit type voorlopige voorziening vreemdelingen een tijdelijke rechtsbescherming die de effectiviteit van het hoger beroep waarborgt.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd in het kader van een door hem ingesteld hoger beroep tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Hij verzocht concreet om schorsing van zijn uitzetting totdat op het hoger beroep zou zijn beslist, alsmede om opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om schorsing van de uitzetting toegewezen. Daarbij wordt verwezen naar de vaste jurisprudentielijn van de Afdeling, neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), op grond waarvan een voorlopige voorziening wordt getroffen wanneer dat gelet op het aangevoerde is geïndiceerd. De inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep zelf is in deze procedure uitdrukkelijk niet aan de orde; de uitspraak heeft uitsluitend een voorlopig karakter en strekt ertoe de situatie te bevriezen totdat in de hoofdzaak is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, geheel toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is een toepassing van standaardjurisprudentie in het vreemdelingenrecht en heeft geen zelfstandige precedentwerking. De praktische betekenis is dat de vreemdeling voorlopig wordt beschermd tegen verwijdering uit Nederland en dat de minister het resultaat van de bodemzaak in hoger beroep moet afwachten voordat tot uitzetting kan worden overgegaan.