Schelpenwinningsvergunning Waddenzee vernietigd door Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:4486, Raad van State, 05-08-2026, 202400951/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 22 december 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan Visserijbedrijf Rousant B.V. een ontgrondingsvergunning verleend voor het winnen van 32.000 m3 schelpen per kalenderjaar uit de Waddenzee en Noordzeekustzone voor de periode tot en met 31 december 2025. De Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten betogen dat er gelet op onderdeel C16.2 uit de bijlage behorende bij het Besluit mer ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld. Volgens hen is de in totaal vergunde winningshoeveelheid van 160.000 m3 schelpen, waarvan de aan Visserijbedrijf Rousant B.V. vergunde winningshoeveelheid van 32.000 m3 onderdeel uitmaakt, te hoog, zodat de ontgrondingsvergunning is verleend in strijd met artikel 3 van de Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren 2022 (beleidsregels) en met het uitgangspunt uit paragraaf 3.2, onder m, van de PKB Derde Nota Waddenzee van januari 2007 (Derde Nota Waddenzee) dat niet meer mag worden gewonnen dan het langjarig gemiddelde van de natuurlijke netto schelpkalkproductie.
Kern van de zaak
De minister van Infrastructuur en Waterstaat verleende in december 2023 ontgrondingsvergunningen aan vier schelpenwinningsbedrijven voor het winnen van 160.000 m3 schelpen per jaar in de Waddenzee en Noordzeekustzone. De Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten kwamen hiertegen in beroep. Het beroep richt zich specifiek op de vergunning van Visserijbedrijf Rousant B.V. voor 32.000 m3 schelpen.
Beslissing van de rechter
Het beroep van de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten is gegrond verklaard en de ontgrondingsvergunning van 22 december 2023 is vernietigd. De Afdeling bepaalt dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen, omdat de vergunning inmiddels per 1 januari 2026 al was verlopen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor het omgevings- en natuurbeschermingsrecht rondom de Waddenzee en verduidelijkt procesbelang na verlopen vergunningen, maar heeft beperkte directe gevolgen doordat geen nieuw besluit hoeft te worden genomen.
Belangrijkste punten
- 1Oud recht (Ontgrondingenwet vóór 1 januari 2024) blijft van toepassing omdat de aanvraag vóór inwerkingtreding Omgevingswet was ingediend (6 november 2022).
- 2Ondanks het verstrijken van de vergunningsduur op 1 januari 2026 hadden de natuurorganisaties nog procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling.
- 3Het beroep van de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten werd inhoudelijk gegrond bevonden.
- 4De vernietiging heeft geen praktisch gevolg voor toekomstige winning omdat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen.
- 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.087,32 aan de natuurorganisaties.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat procesbelang kan blijven bestaan ook na het verstrijken van de vergunningsduur, en bevestigt de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor ontgrondingsaanvragen. De vernietiging van de vergunning schept een precedent voor de toetsing van schelpenwinning in de Waddenzee onder de Ontgrondingenwet.
Praktische impact
Visserijbedrijf Rousant B.V. ondervindt geen directe praktische gevolgen omdat de vergunning al verlopen was; voor toekomstige vergunningverlening voor schelpenwinning in de Waddenzee gelden de uitkomsten van deze procedure als toetssteen.
Onderwerp-impact
De uitspraak versterkt de rechtsbescherming van het Waddengebied als beschermd natuurgebied en legt beperkingen op aan commerciële schelpenwinning, met mogelijke gevolgen voor toekomstige vergunningaanvragen in dit gebied.
Samenvatting
Op 22 december 2023 verleende de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan vier schelpenwinningsbedrijven, waaronder Visserijbedrijf Rousant B.V., ontgrondingsvergunningen voor het winnen van in totaal 160.000 m3 schelpen per jaar in de Waddenzee en Noordzeekustzone. Rousant verkreeg een vergunning voor 32.000 m3 per jaar, geldig tot en met 31 december 2025. De Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten kwamen hiertegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een eerste juridische vraag betrof het toepasselijke recht: omdat de aanvraag was ingediend op 6 november 2022, dus vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, bleef op grond van het overgangsrecht de Ontgrondingenwet zoals die gold vóór 2024 van toepassing. Een tweede preliminaire vraag betrof het procesbelang: nu de vergunning op 1 januari 2026 was verlopen, moest de Afdeling beoordelen of de appellanten nog belang hadden bij een inhoudelijke uitspraak. De Afdeling beantwoordde dit bevestigend, omdat procesbelang ook kan bestaan als de uitkomst van feitelijke betekenis is voor de appellant, ook al is de vergunning niet meer geldig. Inhoudelijk verklaarde de Afdeling het beroep gegrond en vernietigde zij de vergunning van 22 december 2023. Omdat de vergunning inmiddels was verlopen, werd bepaald dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.087,32 aan de natuurorganisaties. De uitspraak bevestigt het belang van rechterlijke toetsing van vergunningen voor activiteiten in gevoelige natuurgebieden zoals de Waddenzee, ook wanneer de praktische uitwerking ervan beperkt is door het verstrijken van de vergunde periode.