JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4482Laag28/100

Vreemdelingenbewaring ondanks formeel gebrek in maatregel gehandhaafd

ECLI:NL:RVS:2026:4482, Raad van State, 03-08-2026, BRS.26.002976

Raad van StateUitspraak: 3 augustus 2026Publicatie: 30 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.002976
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
Vreemdelingenbewaring
Vreemdelingenwet
Artikel 10 10 Awb
Mandaatgebrek
Onttrekkingsrisico

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 20 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 10 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling stelde hoger beroep in tegen zijn inbewaringstelling. Hij voerde aan dat de bewaringsmaatregel een formeel gebrek bevatte omdat daarin niet expliciet stond dat deze namens de minister was opgelegd, zoals vereist door artikel 10:10 Awb.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Hoewel de maatregel een formeel gebrek bevatte (ontbreken van expliciete naamsvermelding namens de minister), was dit gebrek niet fataal omdat uit de aangehaalde wetsartikelen onmiskenbaar volgde dat de maatregel namens de minister was opgelegd, en appellant niet heeft aangetoond in zijn belangen te zijn geschaad.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie over passeerbare formele gebreken en past art. 91 lid 2 Vw 2000 toe; er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd en de Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak van 17 juli 2026.

Belangrijkste punten

  • 1Formeel gebrek in bewaringsmaatregel (geen expliciete vermelding 'namens de minister' ex art. 10:10 Awb) leidt niet automatisch tot onrechtmatigheid
  • 2Verwijzing naar art. 59 lid 1 Vw 2000 en art. 5.3 Vb 2000 in de maatregel maakt bevoegdheid namens minister onmiskenbaar
  • 3Appellant heeft niet toegelicht op welke wijze hij door het gebrek in zijn belangen is geschaad (belangenafweging in zijn nadeel)
  • 4Grief 1 afgedaan met toepassing van art. 91 lid 2 Vw 2000 (geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming)
  • 5Geen Unierechtelijke vragen aan de orde conform arrest HvJ EU Remling (ECLI:EU:C:2026:243)

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat een formeel gebrek in een bewaringsmaatregel wegens het ontbreken van een expliciete vermelding van mandaatverlening (art. 10:10 Awb) passeerbaar is indien de bevoegdheidsgrondslag onmiskenbaar uit de maatregel blijkt en de vreemdeling geen concrete benadeling aantoont.

Praktische impact

Voor vreemdelingen in bewaring betekent dit dat louter formele gebreken in bewaringsmaatregelen zonder aantoonbare benadeling niet leiden tot invrijheidsstelling, zeker wanneer een onttrekkingsrisico onweersproken is vastgesteld.

Onderwerp-impact

In het vreemdelingenrecht wordt de lat voor het slagen van een beroep op mandaatgebreken hoog gelegd: enkel aantoonbare schade aan de belangen van de vreemdeling kan een dergelijk gebrek fataal maken.

Samenvatting

Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreft een hoger beroep van een vreemdeling tegen zijn inbewaringstelling op grond van artikel 59 lid 1 aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling voerde in grief 2 aan dat de bewaringsmaatregel een formeel gebrek bevatte: daarin stond niet expliciet vermeld dat de maatregel werd opgelegd namens de minister, zoals artikel 10:10 van de Awb vereist bij mandaatbesluiten. De Afdeling erkent dat dit gebrek bestaat, maar oordeelt dat dit niet tot onrechtmatigheid van de maatregel leidt. De redenering is tweeledig. Ten eerste volgt uit de in de maatregel aangehaalde artikelen — artikel 59 lid 1 Vw 2000 en artikel 5.3 Vb 2000 — onmiskenbaar dat de bevoegdheid namens de minister werd uitgeoefend. Het gebrek is daarmee feitelijk herstelbaar via interpretatie van de maatregel zelf. Ten tweede heeft de vreemdeling niet concreet toegelicht op welke wijze hij door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Nu bovendien onweersproken vaststaat dat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, valt de belangen­afweging in zijn nadeel uit. Greif 1 wordt afgedaan met toepassing van de verkorte motiveringsregel van artikel 91 lid 2 Vw 2000, omdat daarin geen rechtsvragen van algemeen belang worden opgeworpen. Ook ambtshalve ziet de Afdeling geen grond voor onrechtmatigheid. De Afdeling verwijst voor de toegepaste lijn naar haar eerdere uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4185). Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 5 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4600Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4600, Raad van State, 05-08-2026, 202407120/1/A3

Raad van State5 aug 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4591Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4591, Raad van State, 05-08-2026, 202403948/1/R1

Raad van State5 aug 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4609Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4609, Raad van State, 05-08-2026, 202404306/1/R4.

Raad van State5 aug 2026OverheidVergunningen
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4455Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4455, Raad van State, 05-08-2026, 202301742/1/R1

Raad van State5 aug 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied