Voorlopige voorziening: asielzoeker mag niet worden uitgezet
ECLI:NL:RVS:2026:4478, Raad van State, 03-08-2026, BRS.26.003625
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 23 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 9 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep, geregistreerd onder NL26.9879, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker heeft bij de voorzieningenrechter van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet en dat hij opvang en verstrekkingen ontvangt, hangende een door hem ingesteld hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe: verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is gelegen in de door verzoeker aangevoerde gronden, die voldoende aanleiding gaven voor het treffen van een voorlopige voorziening conform vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een standaardprocedure voor een voorlopige voorziening in een individuele asielzaak, zonder nieuwe rechtsvragen of bredere precedentwerking; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: schorsing van de uitzetting hangende het hoger beroep
- 2Verzoeker heeft ook opvang en verstrekkingen gevraagd
- 3Toepassing van vaste RvS-jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) als grondslag
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld in proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak is een voorzieningenrechtersbeslissing; inhoudelijke beoordeling hoger beroep volgt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling dat bij voldoende aangevoerde gronden een voorlopige voorziening wordt getroffen om uitzetting hangende hoger beroep te schorsen. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
Verzoeker wordt voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft recht op opvang en verstrekkingen totdat de Afdeling inhoudelijk over het hoger beroep heeft geoordeeld.
Onderwerp-impact
In de vreemdelingenpraktijk bevestigt deze uitspraak dat een asielzoeker die tijdig een voorlopige voorziening aanvraagt bij het instellen van hoger beroep, effectieve rechtsbescherming kan verkrijgen tegen uitzetting.
Samenvatting
In deze zaak heeft een asielzoeker bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening hangende een door hem ingesteld hoger beroep. Hij vreesde te worden uitgezet voordat het hoger beroep inhoudelijk zou worden behandeld, en verzocht tevens om opvang en verstrekkingen te ontvangen gedurende de procedure. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen op basis van de door verzoeker aangevoerde gronden. Daartoe is verwezen naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), op grond waarvan in dergelijke gevallen een voorlopige voorziening wordt getroffen. Als gevolg hiervan is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft een beperkte juridische impact, nu zij slechts een voorlopige maatregel in een individuele zaak betreft en geen nieuwe rechtsnormen stelt. Praktisch gezien biedt de beslissing de verzoeker tijdelijke maar concrete bescherming: hij kan niet worden uitgezet en heeft recht op opvang en verstrekkingen zolang de inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep nog loopt. De zaak illustreert het belang van een tijdig ingediend verzoek om voorlopige voorziening als instrument van effectieve rechtsbescherming in het vreemdelingenrecht.