Verzoek om schorsing beslagen niet-ontvankelijk verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4477, Raad van State, 31-07-2026, 202503738/7/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorziening te treffen inhoudende dat alle lopende beslagen en executiemaatregelen die tegen hem zijn genomen per direct worden geschorst. [verzoeker] ontvangt een WIA-uitkering. Op deze uitkering heeft een gerechtsdeurwaarder beslag laten leggen. Deze gerechtsdeurwaarder treedt volgens [verzoeker] op als coördinerende gerechtsdeurwaarder namens verschillende schuldeisers. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat het ontbreekt aan een grondslag voor een groot deel van de vorderingen en er onvoldoende overzicht van alle schulden bestaat. Hierdoor komt zijn bestaanszekerheid in gevaar.
Kern van de zaak
Een WIA-uitkering ontvanger heeft beslag op zijn uitkering laten leggen door een coördinerende gerechtsdeurwaarder namens meerdere schuldeisers. Hij stelt dat de grondslag voor een groot deel van de vorderingen ontbreekt en zijn bestaanszekerheid in gevaar komt. Hij verzoekt de voorzieningenrechter van de Raad van State om alle beslagen en executiemaatregelen te schorsen.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat het verzoek niet is gedaan in het kader van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure, wat op grond van artikel 8:81 lid 1 Awb een vereiste is voor het treffen van een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de bestaande, vaste rechtspraktijk rond de ontvankelijkheidsvereisten van artikel 8:81 Awb toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden of richtinggevende interpretaties te geven.
Belangrijkste punten
- 1Een verzoek om een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter vereist op grond van artikel 8:81 lid 1 Awb een lopende bezwaar- of beroepsprocedure als ontvankelijkheidsvoorwaarde.
- 2Ontbreekt een onderliggende hoofdzaak bij de bestuursrechter, dan is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, ongeacht de urgentie.
- 3Beslaglegging door een gerechtsdeurwaarder op een uitkering betreft primair een civielrechtelijke aangelegenheid, niet een bestuursrechtelijk besluit.
- 4Een afzonderlijke kwestie (uitspraak rechtbank Midden-Nederland) kan niet zonder meer in de behandeling worden meegenomen; daarvoor dient eerst regulier hoger beroep te worden ingesteld.
- 5Bestaanszekerheid als belang is op zichzelf onvoldoende grondslag voor ontvankelijkheid bij de bestuursrechter zonder aanknopingspunt in een bestuursrechtelijk besluit.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte ontvankelijkheidsvereisten van artikel 8:81 Awb: zonder een aanhangige bezwaar- of beroepsprocedure ontbreekt de bevoegdheid van de bestuursrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Dit is vaste rechtspraktijk.
Praktische impact
Voor verzoeker betekent dit dat hij voor schorsing van de beslagen aangewezen is op de civiele rechter (kort geding), en niet op de bestuursrechter. Zijn bestaanszekerheidsargument biedt geen toegang tot de bestuursrechtelijke voorlopige voorziening.
Onderwerp-impact
In schulden- en incassosituaties waarbij beslag is gelegd op sociale uitkeringen, biedt de bestuursrechtelijke weg via de Raad van State geen soelaas zonder een onderliggend bestuursrechtelijk besluit in geschil.
Samenvatting
Deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 2026 betreft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend door een WIA-uitkeringsgerechtigde. Op zijn uitkering was beslag gelegd door een coördinerende gerechtsdeurwaarder die optrad namens meerdere schuldeisers. Verzoeker stelde dat voor een groot deel van de vorderingen de juridische grondslag ontbrak en dat hij onvoldoende overzicht had van alle schulden, waardoor zijn bestaanszekerheid ernstig in het geding was. Hij verzocht de voorzieningenrechter om alle lopende beslagen en executiemaatregelen te schorsen. De centrale juridische vraag was of de voorzieningenrechter van de Raad van State bevoegd was dit verzoek in behandeling te nemen. Op grond van artikel 8:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter alleen worden getroffen indien er sprake is van een aanhangig bezwaar, administratief beroep of beroep bij de bestuursrechter. De voorzieningenrechter stelde vast dat daarvan geen sprake was: het verzoek was niet gedaan in het kader van een lopende procedure. Dit leidde tot de conclusie dat het verzoek niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Aan de inhoudelijke beoordeling van de urgentie of de gestelde aantasting van de bestaanszekerheid werd dan ook niet toegekomen. Voorts verzocht verzoeker ter zitting om een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juni 2026 in de behandeling mee te nemen, maar ook dat kon niet: voor een voorlopige voorziening in die zaak dient verzoeker eerst hoger beroep bij de Afdeling in te stellen, wat hij nog niet had gedaan. De uitspraak illustreert de strikte processuele poort van artikel 8:81 Awb en wijst schuldenaren met beslagproblematiek op de civiele rechter als het juiste forum.