Minister veroordeeld in proceskosten na intrekken hoger beroep asiel
ECLI:NL:RVS:2026:4471, Raad van State, 31-07-2026, BRS.25.000833
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De minister van Asiel en Migratie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 juni 2025 in zaak nr. NL25.7050, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278. Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat in Tilburg, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Kern van de zaak
De minister van Asiel en Migratie had hoger beroep ingesteld in een zaak over het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag voor een verblijfsvergunning bepaalde tijd. Nadat verzoeker kosten had gemaakt voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting, trok de minister het hoger beroep in. Verzoeker verzocht daarop om proceskostenveroordeling.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om proceskostenveroordeling is toegewezen: de minister wordt veroordeeld tot betaling van € 467,00 aan proceskosten. Doorslaggevend is dat de minister het hoger beroep introk nádat verzoeker al kosten had gemaakt voor zijn schriftelijke uiteenzetting, waarbij wegingsfactor 0,5 is toegepast vanwege het eenvoudige karakter van de zaak (niet-tijdig beslissen).
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele proceskostenbeslissing in een individuele asielzaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie en heeft geen bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:118 jo. 8:75 Awb na intrekking hoger beroep door de minister
- 2Wegingsfactor 0,5 toegepast omdat de zaak uitsluitend betrekking heeft op niet-tijdig beslissen op een asielaanvraag
- 3Vergoeding bedraagt € 467,00 voor één punt (schriftelijke uiteenzetting) door professionele rechtsbijstand
- 4Intrekking van het hoger beroep na het maken van kosten door de wederpartij vormt aanleiding voor kostenveroordeling
- 5Zaak betreft verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en bestuurlijke traagheid van de minister
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat intrekking van hoger beroep nadat de wederpartij kosten heeft gemaakt, leidt tot proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:118 Awb. De toepassing van wegingsfactor 0,5 bij niet-tijdigheidsgeschillen in asielzaken wordt hiermee opnieuw bevestigd.
Praktische impact
De minister dient € 467,00 te vergoeden aan verzoeker voor gemaakte advocaatkosten. Voor asielzoekers betekent dit dat zij bij onrechtmatige vertraging én een latere intrekking van hoger beroep door de overheid aanspraak kunnen maken op proceskostenvergoeding.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratiezaken onderstreept deze uitspraak dat de overheid proceskosten draagt wanneer zij hoger beroep intrekt na het genereren van kosten bij de tegenpartij, ook in relatief eenvoudige niet-tijdigheidszaken.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een asielzoeker om veroordeling van de minister van Asiel en Migratie in de proceskosten die hij had gemaakt in het kader van een hoger beroepsprocedure. Het hoger beroep van de minister had uitsluitend betrekking op de vraag of de minister te laat had beslist op de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Nadat verzoeker een schriftelijke uiteenzetting had ingediend en daarvoor kosten had gemaakt, trok de minister het hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:75 Awb, dat het verzoek om proceskostenveroordeling moet worden toegewezen. De reden hiervoor is dat de minister het hoger beroep pas introk nadat verzoeker al kosten had moeten maken voor het opstellen en indienen van zijn schriftelijke uiteenzetting. Dat vormt voldoende aanleiding om de minister in de kosten te veroordelen. Bij de berekening van de proceskostenvergoeding past de Afdeling wegingsfactor 0,5 toe, omdat de zaak uitsluitend gaat over het niet tijdig nemen van een besluit — een categorie die als relatief eenvoudig wordt beschouwd. Voor één punt (de schriftelijke uiteenzetting) resulteert dit in een vergoeding van € 467,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde. De uitspraak heeft geen bijzondere precedentwerking, maar bevestigt de vaste praktijk dat de overheid proceskosten moet dragen wanneer zij een ingesteld hoger beroep intrekt nadat de wederpartij reeds verweer heeft gevoerd. De toepassing van de verlaagde wegingsfactor in niet-tijdigheidszaken in het vreemdelingenrecht is eveneens conform bestaande rechtslijn.