JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4469Laag8/100

Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond, voorlopige voorziening afgewezen

ECLI:NL:RVS:2026:4469, Raad van State, 03-08-2026, BRS.26.003439

Raad van StateUitspraak: 3 augustus 2026Publicatie: 29 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zaaknummer:BRS.26.003439
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Verkorte Afdoening
Vreemdelingenwet
Artikel 91 Vw2000

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij brief van 5 februari 2024 heeft de minister appellant meegedeeld dat de rechten van de Richtlijn tijdelijke bescherming voor hem op 4 maart 2024 stoppen. Bij besluit van 11 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

Kern van de zaak

Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke zaak. Tegelijkertijd verzocht hij om een voorlopige voorziening. De precieze inhoud van het onderliggende geschil is niet uit de uitspraak op te maken.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. De voorzieningenrechter heeft de motivering van de rechtbank volledig overgenomen, omdat het hogerberoepschrift geen vragen opwierp die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden.

8van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een routinematige verkorte afdoening in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen; de inhoud van het onderliggende geschil is bovendien niet kenbaar uit de uitspraak.

Belangrijkste punten

  • 1Toepassing van artikel 91, tweede lid, Vw 2000: verkorte afdoening zonder nadere motivering toegestaan
  • 2Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (conform HvJ EU 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243)
  • 3Rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld; motivering rechtsoverwegingen 4-6 en 8-10 overgenomen
  • 4Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen als gevolg van ongegrondverklaring hoger beroep
  • 5Geen proceskostenveroordeling van de minister

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de standaardtoepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 in vreemdelingenzaken zonder rechtseenheidsvragen. De verwijzing naar het recente HvJ EU-arrest Remling (2026) bevestigt dat ook de Unierechtelijke drempel voor nadere motivering niet was bereikt.

Praktische impact

Voor de betrokken vreemdeling betekent deze uitspraak dat de beslissing van de rechtbank onherroepelijk is geworden en het verzoek om een voorlopige voorziening geen soelaas biedt. De rechtspositie van de vreemdeling wijzigt niet ten gunste.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak de beperkte ruimte voor hoger beroep wanneer geen principiële rechtsvragen worden opgeworpen, wat de doorstroom van zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak bevordert.

Samenvatting

Deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dateert van 3 augustus 2026 en betreft een vreemdelingenrechtelijke zaak. Een vreemdeling had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening. De inhoud van het onderliggende geschil — zoals de aard van het bestreden besluit van de minister — is uit de gepubliceerde uitspraak niet te achterhalen, omdat de volledige tekst van de rechtbankuitspraak niet is opgenomen. De juridische vraag in hoger beroep was of de rechtbank terecht tot haar oordeel is gekomen. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de Afdeling volstaan met een verkorte motivering indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Aan die drempel is in dit geval niet voldaan. Evenmin riep het hogerberoepschrift vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierecht, waarvoor de voorzieningenrechter verwijst naar het recente arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling (ECLI:EU:C:2026:243). Op grond van deze overwegingen wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Als logisch gevolg daarvan wordt ook het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De minister wordt niet veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is een standaardtoepassing van de verkorte afdoeningsprocedure in het vreemdelingenrecht en heeft geen zelfstandige precedentwerking.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 9 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1512

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

12/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1491

Hoge Raad: lagere rechter mag HR-rechtspraak volgen zonder prejudiciële vragen

62/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1519

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1511

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen