JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4467Laag12/100

Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting tijdens hoger beroep

ECLI:NL:RVS:2026:4467, Raad van State, 31-07-2026, BRS.26.003839

Raad van StateUitspraak: 31 juli 2026Publicatie: 29 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.003839
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Uitzetting
Asiel En Migratie
Opvang

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 12 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 30 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en heeft tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen en opvang te behouden totdat op het hoger beroep is beslist.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter van de Raad van State heeft de gevraagde voorlopige voorziening toegewezen: verzoeker mag niet worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00, omdat gelet op de aangevoerde gronden aanleiding bestaat voor de voorziening conform vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457).

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een standaard voorlopige voorzieningsprocedure zonder inhoudelijk rechtsoordeel en zonder nieuwe juridische norm; de uitkomst is zaakspecifiek en sterk casuïstisch van aard.

Belangrijkste punten

  • 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst tot beslissing op hoger beroep
  • 2Verzoek omvat ook opvang en verstrekkingen voor de duur van de procedure
  • 3Toetsingsmaatstaf gebaseerd op vaste Afdelingsjurisprudentie (RvS 20 februari 2019)
  • 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
  • 5Uitspraak is een kortgedingachtige voorlopige maatregel, geen inhoudelijk oordeel over het hoger beroep

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat de voorzieningenrechter van de Afdeling een uitzettingsverbod kan opleggen hangende hoger beroep, zonder inhoudelijk oordeel over de zaak. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gevestigd.

Praktische impact

Verzoeker is feitelijk beschermd tegen uitzetting en behoudt recht op opvang en verstrekkingen gedurende de hoger beroepsprocedure, wat directe humanitaire gevolgen heeft voor zijn verblijfssituatie.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken biedt deze uitspraak een routinematige maar praktisch cruciale bescherming voor asielzoekers die hoger beroep instellen, in lijn met bestaande Afdelingspraktijk.

Samenvatting

In deze procedure heeft een vreemdeling de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het door hem ingestelde hoger beroep tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. Het verzoek strekte er enerzijds toe dat hij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, en anderzijds dat hij gedurende die periode recht op opvang en verstrekkingen zou behouden. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ingewilligd. Gelet op de aangevoerde gronden en onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457) is geoordeeld dat aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen. De uitspraak schort de uitzetting op totdat de Afdeling inhoudelijk heeft beslist op het hoger beroep. Daarnaast is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak bevat geen inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de onderliggende beslissing of de kans van slagen van het hoger beroep. Het gaat uitsluitend om een ordemaatregel die de status quo bewaart in afwachting van een definitieve rechterlijke beslissing. De juridische impact is beperkt: de uitspraak volgt bestaande standaard en stelt geen nieuwe rechtsregel. De praktische betekenis voor verzoeker is echter direct en concreet: hij is gevrijwaard van uitzetting en behoudt recht op opvang gedurende de verdere procedure.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 8 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1512

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

12/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1491

Hoge Raad: lagere rechter mag HR-rechtspraak volgen zonder prejudiciële vragen

62/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1519

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1511

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen