Raad van State schorst uitzetting vreemdeling hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4466, Raad van State, 31-07-2026, BRS.26.003156
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 5 september 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 28 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en heeft tegelijkertijd een voorlopige voorziening aangevraagd om uitzetting te voorkomen totdat op het hoger beroep is beslist. Hij verzocht tevens om opvang en verstrekkingen.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter van de Raad van State heeft de voorlopige voorziening toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is gelegen in de aangevoerde gronden, getoetst aan het criterium uit de vaste uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). De minister wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van € 934,00.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige voorlopige voorzieningsprocedure in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie en heeft geen precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst totdat hoger beroep is beslist
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen is mede inbegrepen in het verzoek
- 3Toetsing conform vaste Afdelingsjurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld in proceskosten ten bedrage van € 934,00
- 5Uitspraak heeft voorlopig karakter; inhoudelijk oordeel volgt in de hoofdzaak (hoger beroep)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij voldoende aangevoerde gronden de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken een uitzettingsverbod kan opleggen hangende hoger beroep. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
De vreemdeling wordt voorlopig beschermd tegen uitzetting en behoudt recht op opvang en verstrekkingen totdat de Afdeling inhoudelijk heeft beslist op het hoger beroep.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt dit de praktijk dat een voorlopige voorziening een effectief rechtsmiddel is om gedwongen terugkeer tijdelijk te blokkeren in afwachting van een inhoudelijke rechterlijke toets.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, gelijktijdig met het instellen van hoger beroep. Het verzoek strekte ertoe dat hij niet zou worden uitgezet zolang het hoger beroep nog niet is beslist, en dat hij aanspraak zou kunnen maken op opvang en verstrekkingen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de vaste maatstaf die de Afdeling heeft neergelegd in haar uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Op grond van hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd, zag de voorzieningenrechter aanleiding de voorlopige voorziening te treffen. Concreet is bepaald dat de minister van Asiel en Migratie de vreemdeling niet mag uitzetten totdat de Afdeling in het hoger beroep een inhoudelijke beslissing heeft genomen. Daarnaast is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, begroot op € 934,00 wegens professioneel verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft uitsluitend een voorlopig karakter: zij laat het inhoudelijke oordeel over de rechtmatigheid van het jegens de vreemdeling genomen besluit volledig open. Dat oordeel zal volgen in de hoofdzaak. Juridisch gezien is er geen sprake van een richtinggevende of nieuwe uitspraak; de beslissing past geheel binnen de bestaande lijn van de Afdeling in vreemdelingenzaken waarbij bij voldoende spoedeisend belang en niet-ondenkbare kans van slagen een uitzettingsverbod wordt opgelegd. De praktische betekenis voor de vreemdeling is evenwel aanzienlijk: hij is voorlopig gevrijwaard van gedwongen vertrek.