Vreemdeling krijgt voorlopige bescherming tegen uitzetting
ECLI:NL:RVS:2026:4465, Raad van State, 29-07-2026, BRS.26.003895
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 24 september 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 16 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter van de Raad van State. Hij verzocht om niet te worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, en om opvang en verstrekkingen te ontvangen hangende die procedure.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00. Doorslaggevend was de verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige procedurele beslissing op basis van vaste jurisprudentie, zonder nieuwe rechtsnormen of inhoudelijke beoordeling van de asielzaak. De individuele betekenis is groot voor verzoeker, maar de precedentwerking is beperkt.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort totdat op hoger beroep is beslist
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen is eveneens onderdeel van het verzoek
- 3Toetsing vindt plaats op basis van vaste Afdelingsuitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5De uitspraak is beknopt en geeft geen inhoudelijke motivering van de afweging; de tekst lijkt onvolledig
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een voorzieningenrechter bij vreemdelingenrechtelijke hoger beroepsprocedures een schorsende voorziening kan treffen op basis van de standaardjurisprudentie uit 2019, zonder uitgebreide inhoudelijke motivering. De rechtsbescherming tegen uitzetting hangende hoger beroep wordt hiermee gecontinueerd.
Praktische impact
De vreemdeling kan niet worden uitgezet zolang de hoger beroepsprocedure loopt, en heeft recht op opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De minister dient daarnaast de proceskosten te vergoeden.
Onderwerp-impact
In de vreemdelingenrechtspraktijk versterkt deze uitspraak de positie van asielzoekers en andere vreemdelingen die hoger beroep instellen: zij kunnen via een voorlopige voorziening uitzetting effectief tegenhouden totdat de Afdeling inhoudelijk heeft beslist.
Samenvatting
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 juli 2026 een voorlopige voorziening getroffen in een vreemdelingenrechtelijke procedure. De verzoeker had hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie en vroeg de voorzieningenrechter tegelijkertijd om zijn uitzetting te schorsen totdat op dat hoger beroep zou zijn beslist. Daarnaast verzocht hij om opvang en verstrekkingen gedurende de lopende procedure. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en bepaald dat de verzoeker niet mag worden uitgezet voordat de Afdeling inhoudelijk heeft geoordeeld over het hoger beroep. Als grondslag voor deze beslissing verwijst de voorzieningenrechter naar de vaste uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), op basis waarvan een dergelijke voorziening wordt getroffen wanneer het aangevoerde daartoe aanleiding geeft. Een nadere inhoudelijke motivering ontbreekt in de gepubliceerde tekst, wat erop duidt dat de uitspraak mogelijk niet volledig is weergegeven of dat de standaardtoets zonder uitgebreide redenering is toegepast. De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de verzoeker, vastgesteld op € 934,00, geheel toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft geen nieuwe precedentwerking, maar illustreert de bestaande praktijk waarbij vreemdelingen via een voorlopige voorzieningsprocedure effectieve rechtsbescherming kunnen verkrijgen tegen dreigende uitzetting hangende een hoger beroepsprocedure. Voor de verzoeker heeft de beslissing directe en ingrijpende praktische gevolgen: zijn verblijf in Nederland is voorlopig gewaarborgd.