Overdracht aan Roemenië geschorst hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4464, Raad van State, 29-07-2026, BRS.26.003879
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 9 juni 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 28 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Verzoeker heeft krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bij de minister bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overdracht op 30 juli 2026 en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft dit verzoek op 28 juli 2026 ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden.
Kern van de zaak
Een vreemdeling zou op 30 juli 2026 worden overgedragen aan Roemenië (vermoedelijk in het kader van een Dublin-overdracht). Hij verzocht de voorzieningenrechter om deze overdracht te stoppen, terwijl hoger beroep openstond tegen een uitspraak van de rechtbank van 28 juli 2026.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak treft een voorlopige voorziening en schorst de overdracht aan Roemenië totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is dat de hoger beroepstermijn nog niet was verstreken ten tijde van de geplande overdracht.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige toepassing van vaste jurisprudentie over bevoegdheid en schorsing hangende hoger beroep; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Belangrijkste punten
- 1De voorzieningenrechter van de Afdeling is bij uitsluiting bevoegd nu hoger beroep openstond tegen de rechtbankuitspraak (conform ECLI:NL:RVS:2016:353).
- 2De enkele omstandigheid dat de hoger beroepstermijn nog niet was verstreken, volstaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
- 3Overdracht aan Roemenië is geschorst totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
- 4De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,00 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
- 5Verzoek was oorspronkelijk bij de rechtbank ingediend maar is doorgestuurd naar de Afdeling wegens bevoegdheid bij uitsluiting.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitsluiting bevoegd is zodra hoger beroep openstaat, en dat een lopende beroepstermijn zonder meer grond biedt voor schorsing van uitzetting.
Praktische impact
Verzoeker wordt niet overgedragen aan Roemenië zolang de Afdeling nog geen uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep, waardoor de inhoudelijke behandeling van zijn zaak gewaarborgd blijft.
Onderwerp-impact
In Dublin-overdrachtzaken biedt het instellen van hoger beroep gecombineerd met een spoedverzoek een effectief instrument om feitelijke uitzetting te voorkomen in afwachting van een inhoudelijk oordeel.
Samenvatting
Op 30 juli 2026 zou een vreemdeling worden overgedragen aan Roemenië, vermoedelijk op grond van de Dublin-verordening. De dag daarvoor, op 28 juli 2026, had de rechtbank uitspraak gedaan in de bodemprocedure over het overdrachtsbesluit van 9 juni 2026. Omdat tegen die uitspraak hoger beroep openstond bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, diende de vreemdeling bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening in teneinde de overdracht te stoppen. De rechtbank stuurde het verzoek op 28 juli 2026 door aan de voorzieningenrechter van de Afdeling, die op grond van vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2016:353) bij uitsluiting bevoegd is zodra hoger beroep openstaat. De centrale juridische vraag was of er grond bestond de overdracht aan Roemenië te schorsen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Als doorslaggevende reden geldt dat de hoger beroepstermijn ten tijde van de geplande overdracht nog niet was verstreken. Dat gegeven volstaat op zichzelf om een voorlopige voorziening te treffen, zonder dat inhoudelijk op de zaak hoeft te worden ingegaan. De voorzieningenrechter bepaalt daarom dat verzoeker niet aan Roemenië mag worden overgedragen totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Daarnaast wordt de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige juridische betekenis omdat zij de bestaande praktijk volgt: het openstaan van een rechtsmiddel gecombineerd met een nog niet verstreken termijn is voldoende grond voor schorsing van feitelijke uitzetting. Voor de betrokken vreemdeling is de uitkomst echter direct en ingrijpend: de overdracht wordt voorkomen en zijn zaak wordt inhoudelijk door de Afdeling beoordeeld.