Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4462, Raad van State, 29-07-2026, BRS.26.003817
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 20 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie en heeft tevens de voorzieningenrechter van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet zolang op het hoger beroep niet is beslist en dat hij recht heeft op opvang en verstrekkingen.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorlopige voorziening toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De doorslaggevende reden is dat gelet op hetgeen is aangevoerd aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening, conform de vaste lijn uit de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige voorlopige voorzieningsbeslissing zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de voorzieningenrechter past een bekende en vaste lijn toe zonder inhoudelijke beoordeling van de gronden van het hoger beroep.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst hangende hoger beroep
- 2Toewijzing gebaseerd op vaste jurisprudentielijn RvS van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 3Verzoek om opvang en verstrekkingen mede onderdeel van het verzoek
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00 voor rechtsbijstand
- 5Uitspraak is een voorlopige maatregel; inhoudelijke beoordeling volgt in hoger beroep
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past binnen de vaste jurisprudentielijn van de Afdeling bestuursrechtspraak inzake het schorsen van uitzetting hangende hoger beroep en heeft beperkte zelfstandige precedentwerking. De verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2019:457 bevestigt de continuïteit van de beschermingsmaatstaf in vreemdelingenzaken.
Praktische impact
De vreemdeling is voorlopig beschermd tegen uitzetting en behoudt zijn verblijf in Nederland totdat de Afdeling een inhoudelijke beslissing heeft genomen in het hoger beroep. De minister dient bovendien de proceskosten van € 934,00 te vergoeden.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht bevestigt deze uitspraak dat een verzoek om een voorlopige voorziening ter schorsing van uitzetting hangende hoger beroep een reëel rechtsmiddel blijft dat bij voldoende onderbouwing wordt toegewezen.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek hangt samen met een door hem ingesteld hoger beroep tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie. De vreemdeling verzocht om schorsing van zijn uitzetting totdat op het hoger beroep zou zijn beslist, alsmede om toekenning van opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot schorsing van de uitzetting toegewezen. De motivering is beknopt: gelet op hetgeen door verzoeker is aangevoerd, bestaat aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Daarbij wordt verwezen naar de vaste jurisprudentielijn van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Een inhoudelijke beoordeling van de gronden van het hoger beroep vindt in deze procedure niet plaats; de uitspraak heeft uitsluitend een voorlopig en conservatoir karakter. Als gevolg van de toegewezen voorlopige voorziening mag de vreemdeling niet worden uitgezet zolang de Afdeling nog geen uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep. De minister van Asiel en Migratie is tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten, begroot op € 934,00 wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft beperkte zelfstandige juridische betekenis; zij bevestigt de bestaande praktijk waarbij vreemdelingen met een lopend hoger beroep een reëel beroep kunnen doen op schorsing van uitzetting. De inhoudelijke vraag of het hoger beroep gegrond is, blijft volledig open en zal in een afzonderlijke procedure worden beantwoord.