Minister asiel verliest hoger beroep in vreemdelingenzaak
ECLI:NL:RVS:2026:4461, Raad van State, 31-07-2026, BRS.26.003493
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 2 december 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Kern van de zaak
De minister van Asiel en Migratie stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank, die een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek had geconstateerd in een besluit. Betrokkene, een vreemdeling, verweerde zich tegen het hoger beroep. De minister verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd; het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Doorslaggevend is dat het geconstateerde zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek zich eenvoudig laat herstellen en het hogerberoepschrift geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming oproept, zodat toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (verkorte motivering) gerechtvaardigd is.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 met een verkorte motivering; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de zaakspecifieke feiten zijn grotendeels onbekend uit de beschikbare tekst.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep tijdig ingediend op 10 juli 2026, de laatste dag van de beroepstermijn
- 2Afdeling past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: geen nadere motivering vereist bij ontbreken van rechtsvragen van algemeen belang
- 3Rechtbank had terecht een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd in het ministeriële besluit
- 4Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (Remling-arrest HvJEU 24 maart 2026)
- 5Minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,00 aan betrokkene
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de standaard toepassing van de verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 bij herstelbare gebreken in vreemdelingenbesluiten en heeft daarmee geen richtinggevende precedentwerking. Het Remling-criterium (HvJEU) wordt toegepast om Unierechtelijke vragen expliciet uit te sluiten.
Praktische impact
De minister dient een nieuw, deugdelijk gemotiveerd besluit te nemen in de zaak van betrokkene en draagt de proceskosten van € 934,00. Betrokkene behoudt de door de rechtbank geboden bescherming.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak dat motiveringsgebreken in ministeriele besluiten niet in hoger beroep kunnen worden 'gerepareerd' zonder dat een nieuw besluit wordt genomen; de bestuursrechter houdt de minister aan zorgvuldige besluitvorming.
Samenvatting
In deze uitspraak van 31 juli 2026 bevestigt de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak waarbij de minister van Asiel en Migratie hoger beroep had ingesteld. De rechtbank had eerder een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek vastgesteld in een besluit van de minister, waarna de minister in hoger beroep ging en tevens een voorlopige voorziening verzocht. De Afdeling stelt eerst vast dat het hogerberoepschrift tijdig is ingediend, namelijk op de laatste dag van de beroepstermijn (10 juli 2026), in weerwil van het andersluidende standpunt van betrokkene. Ten gronde oordeelt de Afdeling dat het hoger beroep ongegrond is, waarbij zij gebruik maakt van de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel staat toe dat het oordeel niet verder wordt gemotiveerd wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling overweegt daartoe dat het door de rechtbank geconstateerde gebrek zich eenvoudig laat herstellen via nieuwe besluitvorming, ongeacht de inhoudelijke uitkomst daarvan. Bovendien roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierecht, conform de maatstaf die het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geformuleerd in het Remling-arrest van 24 maart 2026. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 934,00. De uitspraak heeft een beperkte juridische reikwijdte en betreft een gebruikelijke toepassing van het vreemdelingenrechtelijke procesrecht.