JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4457Laag18/100

Uitzetting vreemdeling opgeschort in afwachting hoger beroep

ECLI:NL:RVS:2026:4457, Raad van State, 30-07-2026, BRS.26.003853

Raad van StateUitspraak: 30 juli 2026Publicatie: 29 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.003853
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Vreemdelingenrecht
Uitzetting
Opvang

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd bij de Raad van State om te voorkomen dat hij wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist. Hij verzocht ook om opvang en verstrekkingen gedurende de procedure.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is gelegen in de aangevoerde omstandigheden die aanleiding geven tot het treffen van een voorlopige voorziening conform de vaste lijn uit de uitspraak van 20 februari 2019.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een standaard toepassing van vaste jurisprudentie inzake voorlopige voorzieningen in vreemdelingenzaken zonder nieuwe rechtsvragen of principiële overwegingen. De uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de individuele zaak.

Belangrijkste punten

  • 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort totdat op hoger beroep is beslist
  • 2Verzoeker heeft naast uitzettingsverbod ook opvang en verstrekkingen gevraagd
  • 3Grondslag: vaste lijn Afdeling bestuursrechtspraak (ECLI:NL:RVS:2019:457)
  • 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot betaling van € 934,00 proceskosten
  • 5Uitspraak is beperkt tot voorlopige voorzieningsfase; inhoudelijk oordeel hoger beroep volgt nog

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling dat bij voldoende onderbouwde gronden een uitzettingsverbod als voorlopige voorziening wordt getroffen in afwachting van de bodemprocedure in hoger beroep. Inhoudelijke beoordeling van de asielgronden volgt pas bij behandeling van het hoger beroep.

Praktische impact

De vreemdeling krijgt rechtsbescherming door opschorting van de uitzetting en ontvangt mogelijk opvang gedurende de lopende procedure. De minister dient de gemaakte proceskosten te vergoeden.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken biedt dit type voorlopige voorziening feitelijke bescherming tegen uitzetting in de periode dat een hoger beroepsprocedure nog loopt, wat relevant is voor de rechtspositie van asielzoekers in de procedure.

Samenvatting

In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet zolang zijn hoger beroep nog niet is beslist. Tevens verzocht hij om opvang en verstrekkingen gedurende deze periode. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een uitzettingsverbod toegewezen en bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter baseert deze beslissing op de aangevoerde omstandigheden en verwijst daarbij naar de vaste lijn van de Afdeling zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Dat eerdere precedent vormt de standaard toetsingsnorm voor dit soort verzoeken in vreemdelingenzaken. De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is beperkt van aard: zij regelt uitsluitend de situatie gedurende de lopende hogerberoepsprocedure en laat een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit of de asielgronden uitdrukkelijk open. De zaak is daarmee illustratief voor de rechtsbescherming die de Nederlandse vreemdelingenrechtspraak biedt in de fase tussen een negatieve beslissing en de definitieve uitkomst van een hoger beroep. Er zijn geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwerking buiten de individuele zaak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 8 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1512

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

12/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1491

Hoge Raad: lagere rechter mag HR-rechtspraak volgen zonder prejudiciële vragen

62/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1519

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1511

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen