RvS: minister hoeft SIS-signalering niet te heroverwegen zonder geldige Portugese verblijfsvergunning
ECLI:NL:RVS:2026:4454, Raad van State, 31-07-2026, 202403774/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie (EU) binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 april 2024 heeft de staatssecretaris het verzoek van betrokkene om heroverweging van het terugkeerbesluit en verwijdering van de signalering uit het SIS afgewezen.
Kern van de zaak
Een Bengaalse student verloor zijn Nederlandse studievergunning wegens onvoldoende studievoortgang en werd gesignaleerd in het SIS. Hij verzocht om verwijdering van de SIS-signalering en heroverweging van het terugkeerbesluit, omdat hij naar Portugal was verhuisd en daar werkte.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard en dat van betrokkene ongegrond; de uitspraak van de rechtbank Den Haag en de nadere besluiten zijn vernietigd, terwijl de beroepen tegen de oorspronkelijke besluiten ongegrond zijn verklaard. De doorslaggevende reden is dat de minister niet gehouden was nader te onderzoeken of betrokkene een geldige Portugese verblijfsvergunning had, conform eerder door de Afdeling geformuleerde regels over artikel 6 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte zelfstandige precedentwerking omdat zij expliciet voortbouwt op een reeds gevormde lijn (RvS 14 maart 2025), maar is relevant voor de toepassing van die lijn in vergelijkbare gevallen met verblijf in een andere EU-lidstaat.
Belangrijkste punten
- 1Intrekking studievergunning wegens onvoldoende studievoortgang geldt tegelijk als terugkeerbesluit en SIS-signalering.
- 2De Afdeling past haar eerdere uitspraak van 14 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1075) van overeenkomstige toepassing toe over de onderzoeksplicht van de minister.
- 3Minister is niet verplicht op basis van overgelegde stukken nader te onderzoeken of betrokkene een geldige verblijfsvergunning of toestemming in Portugal had in de zin van art. 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn.
- 4Betrokkene legde meerdere stukken over (arbeidsovereenkomsten, loonstroken, gemeenteverklaring Portugal) maar dit volstaat niet om de onderzoeksplicht te activeren.
- 5Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en consolideert de lijn uit RvS 14 maart 2025 over de reikwijdte van de ministeriele onderzoeksplicht bij mogelijk verblijfsrecht in een andere EU-lidstaat ex artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn. Dit beperkt de mogelijkheden voor vreemdelingen om SIS-signaleringen aan te vechten op basis van informeel verblijf elders in de EU.
Praktische impact
Vreemdelingen die na een terugkeerbesluit naar een andere EU-lidstaat vertrekken, kunnen de SIS-signalering niet eenvoudig laten verwijderen door enkel bewijs van feitelijk verblijf of werk aldaar over te leggen; zij dienen een geldige verblijfsvergunning of formele toestemming van die lidstaat te kunnen aantonen.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht verduidelijkt deze uitspraak de grenzen van de bescherming die artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn biedt aan derdelanders die stellen verblijfsrecht in een andere EU-lidstaat te hebben, met directe gevolgen voor de behandeling van bezwaren en beroepen tegen SIS-signaleringen.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of de minister gehouden was nader te onderzoeken of een Bengaalse vreemdeling, wiens Nederlandse studievergunning was ingetrokken wegens onvoldoende studievoortgang, een geldige verblijfsvergunning of toestemming tot verblijf had in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. De betrokkene had na het intrekkingsbesluit (21 april 2023) een reeks stukken overgelegd — waaronder arbeidsovereenkomsten, loonstroken en een verklaring van een Portugese gemeente — ter onderbouwing van zijn stelling dat hij naar Portugal was verhuisd en daar rechtmatig verbleef. Hij verzocht om verwijdering van de SIS-signalering die als gevolg van het terugkeerbesluit was geplaatst. De rechtbank Den Haag had in eerste instantie geoordeeld dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dit oordeel echter niet. Zij verwijst naar haar eerdere uitspraak van 14 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1075), waarin zij heeft bepaald dat de minister niet gehouden is op grond van dergelijke feitelijke stukken een nadere onderzoeks- en motiveringsplicht te aanvaarden omtrent de vraag of de vreemdeling een formeel verblijfsrecht in een andere EU-lidstaat geniet. De uitspraak van de rechtbank Den Haag wordt vernietigd, evenals de nadere besluiten van oktober 2024 en januari 2025. De oorspronkelijke beroepen worden ongegrond verklaard. Het hoger beroep van betrokkene zelf is ongegrond, en zijn incidenteel hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak bevestigt dat vreemdelingen die een terugkeerbesluit willen neutraliseren via artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn, een formeel verblijfsrecht in de andere lidstaat moeten kunnen aantonen, en dat feitelijke aanwezigheid of werk aldaar onvoldoende is om de ministeriele onderzoeksplicht te activeren.