RvS concludeert over schadevergoeding bij vertrouwensbeginsel schending
ECLI:NL:RVS:2026:4434, Raad van State, 29-07-2026, 202306264/4/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Conclusie van staatsraad advocaat-generaal Snijders over schadevergoeding bij schending van het vertrouwensbeginsel in het bestuursrecht. Deze conclusie is een vervolg op zijn eerdere conclusie van augustus 2024. Daarin overwoog hij dat iemand recht heeft op vergoeding van zogenoemde dispositieschade als die heeft vertrouwd op een toezegging van een bestuursorgaan, maar dat bestuursorgaan dat vertrouwen niet kan honoreren en aan andere, zwaarder wegende belangen voorrang geeft. De grote kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak kwam in de zaak die tot de conclusie van augustus 2024 leidde, uiteindelijk tot het oordeel dat er geen sprake was van een opgewekt vertrouwen. Daarom kwam de grote kamer niet toe aan de toepassing van de aanbevelingen uit de conclusie in de concrete rechtszaak. Dat was de reden voor de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om advocaat-generaal Snijders in januari 2026 een aanvullende conclusie te vragen over het vertrouwensbeginsel en om zijn eerdere conclusie van augustus 2024 alsnog toe te passen op een andere rechtszaak. In deze nieuwe zaak gaat het om een dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft opgelegd aan een bedrijf.
Kern van de zaak
Keizerrijk heeft beroep ingesteld tegen beslissingen op bezwaar van de gemeente nadat plannen voor parkeerplaatsen aan de Vijzelstraat 75 ten behoeve van woningen aan de Marcelisstraat 73 in strijd met het bestemmingsplan werden bevonden. De zaak hangt samen met bredere vragen over het vertrouwensbeginsel in het bestuursrecht, met name de 'derde stap' uit de Amsterdamse dakopbouw-uitspraak van 2019.
Beslissing van de rechter
De rechtbank Den Haag heeft de beroepen van Keizerrijk tegen de beslissingen op bezwaar ongegrond verklaard, omdat parkeren aan de Vijzelstraat ten behoeve van elders gelegen woningen in strijd is met de woonbestemming van het perceel. De conclusie van de staatsraad advocaat-generaal richt zich op de vraag wat diens eerdere conclusie van 21 augustus 2024 betekent voor de bepaling van schadevergoeding in deze specifieke zaak.
Impactscore
MiddelHet betreft een conclusie van een staatsraad advocaat-generaal bij de Raad van State die bijdraagt aan rechtsontwikkeling over het vertrouwensbeginsel, maar de kernvraag over de derde stap blijft onbeantwoord en de beslissing zelf is zaakspecifiek van aard.
Belangrijkste punten
- 1De 'derde stap' van de Amsterdamse dakopbouw-uitspraak (2019) over het vertrouwensbeginsel is nog steeds niet door de Afdeling beantwoord in de context van schadevergoeding.
- 2In zaak 202301857 strandde het beroep op het vertrouwensbeginsel al op de eerste stap: er was geen kwalificerende toezegging of gedraging vastgesteld.
- 3De staatsraad advocaat-generaal geeft een nadere conclusie over de schadevergoedingsberekening in de onderhavige zaak, voortbouwend op zijn conclusie van 21 augustus 2024.
- 4Parkeren ten behoeve van elders gelegen woningen is niet inherent aan de woonbestemming en daarmee planologisch ontoelaatbaar.
- 5De Afdeling (grote kamer) heeft bij tussenuitspraken al relevante beslissingen genomen; de conclusie dient ter verdere invulling van de schadevergoedingsvraag.
Impactanalyse
Juridische impact
De conclusie draagt bij aan de verdere rechtsontwikkeling rond de derde stap van het vertrouwensbeginsel in het bestuursrecht, met name de wijze waarop schadevergoeding moet worden bepaald wanneer gewekte verwachtingen niet worden nagekomen. De onbeantwoorde vraag uit de Amsterdamse dakopbouw-uitspraak blijft echter vooralsnog open.
Praktische impact
Voor Keizerrijk betekent de ongegrondverklaring door de rechtbank dat de beoogde parkeerplaatsen aan de Vijzelstraat niet kunnen worden gerealiseerd voor de woningen aan de Marcelisstraat; de schadevergoedingsvraag is de resterende inzet in de hogerberoepsprocedure.
Onderwerp-impact
In ruimtelijke ordeningszaken schept deze conclusie meer duidelijkheid over hoe schadevergoeding wordt berekend wanneer een beroep op het vertrouwensbeginsel gedeeltelijk slaagt, hetgeen relevant is voor projectontwikkelaars en gemeenten bij bestemmingsplangeschillen.
Samenvatting
In deze zaak bij de Raad van State staat centraal de vraag hoe schadevergoeding moet worden bepaald in het kader van het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel, meer specifiek in relatie tot de zogenoemde 'derde stap' uit de Amsterdamse dakopbouw-uitspraak van 2019. Die derde stap betreft de afweging of de nadelen van het honoreren van gewekte verwachtingen zodanig zwaarwegend zijn dat het bestuursorgaan desondanks van nakoming kan afzien, en zo ja, welke compensatie dan gepast is. Deze rechtsvraag was in de Amsterdamse dakopbouw-uitspraak onbeantwoord gebleven en is ook in de daaropvolgende zaak 202301857 niet beantwoord, omdat het beroep op het vertrouwensbeginsel daarin al faalde op de eerste stap: er was geen kwalificerende toezegging of gedraging van het bestuursorgaan vastgesteld. De achterliggende feitelijke kwestie betreft Keizerrijk, dat bij de rechtbank Den Haag beroep instelde tegen beslissingen op bezwaar over geweigerde parkeerplaatsen aan de Vijzelstraat 75 in Den Haag. Die parkeerplaatsen waren bedoeld ten behoeve van woningen aan de Marcelisstraat 73. De rechtbank heeft de beroepen op 21 augustus 2023 ongegrond verklaard. Zij oordeelde dat het perceel aan de Vijzelstraat de bestemming 'Wonen' heeft en dat parkeren alleen is toegestaan voor zover inherent aan die woonbestemming. Parkeren voor elders gelegen woningen valt daar niet onder en is dus planologisch in strijd met het bestemmingsplan. De staatsraad advocaat-generaal heeft op verzoek van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak een nadere conclusie genomen, voortbouwend op zijn eerdere conclusie van 21 augustus 2024. Die conclusie richt zich specifiek op de vertaling naar de schadevergoedingsberekening in de onderhavige zaak. De Afdeling heeft bij tussenuitspraken al relevante beslissingen genomen. De uitkomst van de hogerberoepsprocedure is derhalve nog niet definitief vastgesteld; de schadevergoedingsvraag vormt de resterende inzet. De conclusie biedt inhoudelijke handvatten maar laat de fundamentele rechtsvraag over de derde stap formeel nog open.