JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4432Laag28/100

Vergunning kamerbewoning studenten Rotterdam terecht verleend

ECLI:NL:RVS:2026:4432, Raad van State, 29-07-2026, 202504405/1/A2

Raad van StateUitspraak: 29 juli 2026Publicatie: 29 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202504405/1/A2
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Overheid
Vastgoed
Vergunningen
Studentenhuisvesting
Kamerbewoning
Woonverordening
Overgangsregeling
Clustercriterium

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 20 september 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de aanvraag van [partij] om een vergunning voor kamerbewoning door maximaal zes personen in de woning aan de [locatie 1] ingewilligd. Het college heeft aan [partij] een vergunning verleend voor kamerbewoning door maximaal zes personen in de woning aan de [locatie 1] in Rotterdam. Er wonen zes studenten in de woning. [partij] wenst met een vergunning de bestaande kamerbewoning te legaliseren. [appellante] woont naast deze woning aan de [locatie 2]. Zij is het oneens met het verlenen van de vergunning omdat zij overlast ervaart van kamerbewoning door studenten.

Kern van de zaak

Het college van Rotterdam verleende een vergunning voor kamerbewoning door zes studenten aan de [locatie 1]. De buurvrouw ([appellante]) aan de [locatie 2] maakte bezwaar omdat zij overlast ervaart van de studentenbewoning. De aanvrager ([partij]) wilde de al bestaande situatie legaliseren via de overgangsregeling.

Beslissing van de rechter

De Raad van State bevestigt dat de vergunning voor kamerbewoning terecht is verleend. Doorslaggevend is dat de aanvrager via bankafschriften en huurovereenkomsten heeft aangetoond dat er op 31 december 2019 al sprake was van kamerbewoning door hetzelfde aantal personen, waardoor de overgangsregeling van artikel 5.2 lid 4 van de Verordening 2021 van toepassing is en het clustercriterium buiten toepassing blijft.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een toepassing van een specifieke gemeentelijke verordening op een individueel geval zonder richtinggevende nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is casuïstisch van aard en heeft beperkte precedentwerking buiten Rotterdam.

Belangrijkste punten

  • 1De overgangsregeling (art. 5.2 Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2021) is van toepassing wanneer aantoonbaar dezelfde kamerbewoning al bestond op 31 december 2019.
  • 2Bewijs via bankafschriften en huurovereenkomsten volstaat om de bestaande kamerbewoning op de peildatum aan te tonen.
  • 3Bij toepassing van de overgangsregeling geldt het clustercriterium (minimaal 50 meter afstand tot andere vergunde kamerbewoningspanden) niet.
  • 4Het college heeft vastgesteld dat geen sprake is van aantasting van woonmilieu of leefbaarheid, mede omdat er geen geregistreerde overlastklachten zijn.
  • 5De vergunning legaliseert slechts de bestaande feitelijke situatie; er vindt geen wijziging van het woonmilieu plaats.

Impactanalyse

Juridische impact

Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van de overgangsregeling in de Rotterdamse Verordening 2021: bij bewezen bestaand gebruik op de peildatum 31 december 2019 zijn verscherpte criteria zoals het clustercriterium niet van toepassing. Dit bevestigt een strikte maar aanvragersvriendelijke uitleg van overgangsbepalingen bij kamerbewoningsvergunningen.

Praktische impact

Eigenaren van panden met bestaande kamerbewoning in Rotterdam kunnen via de overgangsregeling hun situatie legaliseren zonder te hoeven voldoen aan het clustercriterium, mits zij het historisch gebruik afdoende bewijzen. Omwonenden die bezwaar maken op basis van leefbaarheid, hebben weinig juridische houvast als er geen geregistreerde overlastklachten zijn.

Onderwerp-impact

Voor de Rotterdamse woningmarkt en de regulering van studentenkamerverhuur bevestigt deze uitspraak dat overgangsregelingen bij lokale woonverordeningen een effectief instrument zijn voor legalisering van bestaande situaties, wat druk kan zetten op handhaving in geconcentreerde studentenwijken.

Samenvatting

Deze zaak draait om een vergunning voor kamerbewoning door zes studenten in een woning in Rotterdam. De eigenaar van de woning vroeg een vergunning aan om de al jarenlang bestaande kamerbewoning te legaliseren op grond van de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2021 (Verordening 2021). De directe buurvrouw verzette zich hiertegen, omdat zij overlast ervaart van de studenten die in de woning wonen. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende de vergunning, stellende dat de aanvraag valt onder de overgangsregeling van artikel 5.2 van de Verordening 2021. De aanvrager had aan de hand van bankafschriften en huurovereenkomsten aangetoond dat er op de relevante peildatum — 31 december 2019 — reeds sprake was van kamerbewoning door ten minste hetzelfde aantal personen als ten tijde van de vergunningaanvraag. Dankzij deze overgangsregeling is het zogenoemde clustercriterium — dat normaal gesproken een minimumafstand van 50 meter voorschrijft tot een andere vergunde kamerbewoningspand — niet van toepassing. Het college concludeerde tevens dat geen sprake is van aantasting van het woonmilieu of de leefbaarheid in de buurt. Hoewel er een concentratie van studentenwoningen in de omgeving bestaat, zijn er geen geregistreerde klachten over overlast vanuit de betreffende woning. Bovendien legaliseert de vergunning uitsluitend de feitelijk al bestaande situatie, zonder dat er een reële wijziging in het woonmilieu optreedt. De Raad van State bevestigt dit oordeel. De overgangsregeling is correct toegepast: de aanvrager heeft het historisch gebruik op de peildatum voldoende onderbouwd, waardoor de strengere huidige criteria niet gelden. De bezwaren van de buurvrouw, die primair zijn gebaseerd op ervaren overlast, vinden geen juridische grondslag nu concrete overlastklachten over deze specifieke woning ontbreken. De vergunning blijft dan ook in stand.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 29 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4410Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4410, Raad van State, 29-07-2026, 202501680/1/A2

Raad van State29 jul 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4406Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4406, Raad van State, 29-07-2026, 202402336/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4419Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4419, Raad van State, 29-07-2026, 202402095/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4404Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4404, Raad van State, 29-07-2026, 202407843/1/R3 en 202407846/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenMilieu
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied