JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4430Middel38/100

RvS vernietigt rechtbankuitspraken: bouwplan Krommenie alsnog ongegrond

ECLI:NL:RVS:2026:4430, Raad van State, 29-07-2026, 202305502/1/R1

Raad van StateUitspraak: 29 juli 2026Publicatie: 29 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202305502/1/R1
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Vastgoed
Vergunningen
Ruimtelijke Ordening
Omgevingsvergunning
Wabo Overgangsrecht
Bestemmingsplan
Woningbouw
Hoofdgebouw

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 13 juli 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad geweigerd aan [appellant sub 2A] een omgevingsvergunning te verlenen voor onder meer het realiseren van drie woongebouwen met in totaal 22 appartementen en een fietsenberging op het terrein aan de Noorderhoofdstraat 37a-45 in Krommenie. [appellant sub 2A] is eigenaar van het terrein dat bestaat uit drie kadastrale percelen. [appellant sub 2A] wil op het terrein appartementen voor ouderen realiseren. De bestaande opstallen op het terrein moeten daarvoor worden gesloopt. Het bouwplan voorziet aan de watergang de Durgsloot in twee woongebouwen met in totaal twintig appartementen. Verder heeft het bouwplan betrekking op een nieuw woongebouw aan de weg, waarin twee appartementen zijn voorzien. Ten tijde van het besluit gold ter plaatse het bestemmingsplan "Krommenie". Het terrein heeft de bestemming "Gemengd". Volgens het college is het bouwplan in strijd met de planregels, omdat het betrekking heeft op verschillende hoofdgebouwen op één perceel. Het college is niet bereid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo af te wijken van het bestemmingsplan.

Kern van de zaak

Eigenaar [appellant sub 2A] wilde op achterterreinen aan de Noorderhoofdstraat in Krommenie (Zaanstad) twintig appartementen voor ouderen realiseren. Het college van B&W weigerde de omgevingsvergunning omdat het bouwplan meerdere hoofdgebouwen op één perceel voorzag, in strijd met het bestemmingsplan 'Krommenie'. De rechtbank Noord-Holland oordeelde dat het college dit standpunt ondeugdelijk had gemotiveerd, waarna het college in hoger beroep ging.

Beslissing van de rechter

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep van het college van Zaanstad gegrond en vernietigt zowel de tussenuitspraak als de einduitspraak van de rechtbank Noord-Holland. Het beroep van de appellant-eigenaar wordt ongegrond verklaard, wat betekent dat de weigering van de omgevingsvergunning in stand blijft. De doorslaggevende reden is dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn weigering onvoldoende had gemotiveerd.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak is relevant voor de praktijk van omgevingsvergunningverlening en de toetsing van bestemmingsplanregels, maar betreft een casuïstische beslissing zonder fundamenteel nieuwe rechtsnormen. De Raad van State bevestigt bestaande uitgangspunten over motivering en overgangsrecht.

Belangrijkste punten

  • 1Op de aanvraag (ingediend 31 mei 2021) blijft het oude recht (Wabo) van toepassing op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • 2Het bestemmingsplan 'Krommenie' laat op het terrein met bestemming 'Gemengd' weliswaar woonfunctie toe, maar het college stelde dat meerdere hoofdgebouwen op één perceel planologisch strijdig zijn.
  • 3De rechtbank oordeelde in tussenuitspraak dat de motivering van het college tekortschoot; de Raad van State draait dit oordeel terug.
  • 4Het college was niet bereid een afwijkingsvergunning ex artikel 2.12 Wabo te verlenen en de Afdeling acht dit standpunt houdbaar.
  • 5Een besluit van het college van 22 januari 2026 wordt eveneens vernietigd als onderdeel van de afdoening.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat rechters terughoudend moeten zijn bij het oordelen dat een weigeringsmotivering van het college ondeugdelijk is als het college gemotiveerd stelt dat een bouwplan planologisch strijdig is wegens meerdere hoofdgebouwen op één perceel. Het overgangsrechtelijk kader van de Invoeringswet Omgevingswet wordt opnieuw bevestigd voor aanvragen van vóór 1 januari 2024.

Praktische impact

Voor [appellant sub 2A] betekent de uitspraak dat de omgevingsvergunning voor de bouw van twintig ouderenwoningen in Krommenie definitief is geweigerd en het bouwplan in zijn huidige vorm niet kan worden gerealiseerd. Herontwikkeling van het terrein vereist ofwel een bestemmingsplanwijziging ofwel een aangepast bouwplan dat wel past binnen de geldende planregels.

Onderwerp-impact

Voor projectontwikkelaars en eigenaren die woningbouwplannen realiseren op terreinen met meerdere kadastrale percelen en een gemengde bestemming, onderstreept deze uitspraak het belang van een planologisch consistente opzet waarbij het aantal hoofdgebouwen per perceel in overeenstemming is met de planregels.

Samenvatting

Deze zaak draait om een geweigerde omgevingsvergunning voor de bouw van twintig appartementen voor ouderen op achterterreinen aan de Noorderhoofdstraat in Krommenie (gemeente Zaanstad). De eigenaar, [appellant sub 2A], diende op 31 mei 2021 een aanvraag in onder het toenmalige Wabo-regime. Het college van B&W weigerde de vergunning omdat het bouwplan voorzag in meerdere hoofdgebouwen op één perceel, wat volgens het college strijdig is met de planregels van het bestemmingsplan 'Krommenie', ook al is woonfunctie op het terrein met de bestemming 'Gemengd' in beginsel toegestaan. Het college zag ook geen aanleiding om een afwijkingsvergunning ex artikel 2.12 Wabo te verlenen. De rechtbank Noord-Holland oordeelde in een tussenuitspraak dat het college zijn weigering ondeugdelijk had gemotiveerd en droeg het college op het besluit te herstellen. Na een einduitspraak in diezelfde lijn stelde het college hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelt het college in het gelijk en vernietigt beide uitspraken van de rechtbank. Het beroep van de eigenaar en zijn medeappellanten wordt ongegrond verklaard. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de motivering van het college tekortschoot; het college heeft zijn standpunt over de planologische strijdigheid van het bouwplan voldoende onderbouwd. Tevens wordt een herstelbe­sluit van het college van 22 januari 2026 vernietigd als onderdeel van de finale afdoening. Voor de praktijk bevestigt de uitspraak dat aanvragen ingediend vóór 1 januari 2024 worden beoordeeld op grond van het oude Wabo-recht, en dat colleges bij de toepassing van planregels over hoofdgebouwen op één perceel een aanzienlijke beoordelingsruimte hebben die door de bestuursrechter terughoudend wordt getoetst.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 29 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4410Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4410, Raad van State, 29-07-2026, 202501680/1/A2

Raad van State29 jul 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4406Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4406, Raad van State, 29-07-2026, 202402336/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4419Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4419, Raad van State, 29-07-2026, 202402095/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4404Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4404, Raad van State, 29-07-2026, 202407843/1/R3 en 202407846/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenMilieu
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied