Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:443, Raad van State, 29-01-2026, BRS.26.000117
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft via zijn advocaat hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn bewaring. Hij betwistte kennelijk de rechtmatigheid van de opgelegde vreemdelingenbewaring.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling heeft de motivering van de rechtbank overgenomen en geoordeeld dat er geen vragen zijn die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden (art. 91 lid 2 Vw 2000), zodat een uitgebreidere motivering achterwege blijft.
Impactscore
LaagHet betreft een standaardbeslissing in een individuele vreemdelingenbewaringszaak zonder nieuwe rechtsvragen; de verkorte motivering ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 wordt routinematig toegepast en de uitspraak heeft geen bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling past de verkorte motiveringsregel van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: geen nadere motivering vereist bij ontbreken van rechtseenheid- of rechtsontwikkelingsvragen.
- 2De rechtbank wordt terecht en op goede gronden gevolgd; haar motivering wordt integraal overgenomen.
- 3De Afdeling heeft ambtshalve getoetst of er reden was de bewaring onrechtmatig te achten, maar heeft dit niet vastgesteld.
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5Uitspraak gedaan door een enkelvoudige kamer, wat past bij de routinematige aard van de zaak.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de standaardtoepassing van de verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 in vreemdelingenbewaringszaken zonder bijzondere rechtsvragen. De zaak stelt geen nieuwe rechtsregels en heeft daarmee geen precedentwerking.
Praktische impact
Voor de appellant betekent dit dat de bewaring als rechtmatig wordt aangemerkt en dat hij geen proceskostenvergoeding ontvangt. De minister blijft gevrijwaard van proceskosten.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht bevestigt deze uitspraak dat bewaringsmaatrelen bij ontbreken van nieuwe rechtsvragen routinematig worden bevestigd via de verkorte motiveringsroute.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over een vreemdelingenbewaring. De appellant, bijgestaan door advocaat mr. J.G. Wattilete, had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, die de bewaring rechtmatig had geoordeeld. De centrale juridische vraag was of de rechtbank terecht tot dat oordeel was gekomen en of de bewaring als rechtmatig moest worden aangemerkt. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend en verklaart het hoger beroep ongegrond. Daarbij neemt zij de motivering van de rechtbank integraal over, zoals neergelegd onder overwegingen 1.1 en 1.2 van de aangevallen uitspraak. De Afdeling ziet geen aanleiding om het oordeel verder te motiveren, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Dit is de wettelijke grondslag voor de zogeheten verkorte afdoening, neergelegd in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze bepaling biedt de Afdeling de mogelijkheid om in vreemdelingenzaken zonder bijzondere rechtsvragen met een beknopte motivering te volstaan. Darnaast heeft de Afdeling ambtshalve beoordeeld of er reden was om de bewaring alsnog onrechtmatig te achten, maar ook dat leverde geen grond voor vernietiging op. De uitspraak van de rechtbank wordt dan ook bevestigd. De minister wordt niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De zaak is afgedaan door een enkelvoudige kamer, hetgeen past bij de routinematige aard van dergelijke bewaringszaken zonder nieuwe rechtsvragen.