Student lerarenopleiding krijgt geen schadevergoeding studievertraging
ECLI:NL:RVS:2026:4424, Raad van State, 29-07-2026, 202600747/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij beslissing van 21 november 2025 heeft de directeur Fontys Sociale Studies het verzoek van [appellant] om schadevergoeding als gevolg van onrechtmatige beslissingen afgewezen. Bij beslissing van 12 februari 2026 heeft het college van bestuur van Fontys Hogeschool het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek opnieuw afgewezen. [appellant] volgt sinds het studiejaar 2015-2016 een lerarenopleiding Godsdienst aan de Fontys Hogeschool. Hij stelt zich op het standpunt dat hij studievertraging heeft opgelopen als gevolg van onrechtmatige beslissingen van de examencommissie. Hij wil dat het CvB de studievertraging vergoedt.
Kern van de zaak
Een student aan de Fontys Hogeschool lerarenopleiding Godsdienst stelt sinds 2015 studievertraging te hebben opgelopen door onrechtmatige beslissingen van de examencommissie. Hij vordert van het College van Bestuur vergoeding van deze vertraging. Meerdere procedures bij het College van Beroep voor de Examens hadden eerder al in zijn voordeel geresulteerd.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is onvolledig overgeleverd, waardoor de definitieve beslissing van de Raad van State niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare tekst blijkt dat eerdere procedures van appellant bij het CBE grotendeels succesvol waren, maar de uitkomst van het hoger beroep over schadevergoeding bij de Raad van State kan niet worden bepaald.
Impactscore
LaagDe zaak betreft een individueel geschil over studievertraging in het hoger onderwijs zonder aanwijzingen van richtinggevende rechtsvragen; de onvolledige uitspraaktekst beperkt bovendien de mogelijkheid tot verdere impactbeoordeling.
Belangrijkste punten
- 1Student volgt sinds 2015-2016 lerarenopleiding Godsdienst bij Fontys Hogeschool en stelt structurele studievertraging te hebben opgelopen door onrechtmatige examencommissiebeslissingen
- 2In 2021 werd een schikking bereikt over beëindiging van een stage, waarbij appellant een andere stagecoördinator kreeg toegewezen
- 3CBE verklaarde beroep over concrete feedback bij 'Werken in de praktijk' gegrond (februari 2025) en droeg de examencommissie op een nieuwe beslissing te nemen
- 4CBE verklaarde ook beroep over beoordeling 'Filosofie' en weigering herkansing gegrond (september 2025): examinator had afwijkende beoordelingscriteria gehanteerd in strijd met zorgvuldigheidsvereisten
- 5De uitspraaktekst is onvolledig; de eindbeslissing van de Raad van State over de schadevergoedingsvordering kan niet worden vastgesteld
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt aan de grens tussen bestuursrechtelijke rechtsbescherming in het hoger onderwijs en civielrechtelijke schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten van examencommissies. Onzekerheid over de uitkomst bemoeilijkt een verdere juridische duiding.
Praktische impact
Voor de student betekenen de eerdere gegrondverklaringen door het CBE dat de examencommissie nieuwe, zorgvuldige beslissingen moet nemen; of dat ook leidt tot financiële compensatie voor studievertraging is op basis van de beschikbare tekst onbekend.
Onderwerp-impact
De zaak illustreert de kwetsbare positie van studenten die langdurig in conflict zijn met een examencommissie en de moeizame weg naar erkenning van studievertraging als vergoedbare schade in het hoger onderwijs.
Samenvatting
Deze zaak betreft een student aan de lerarenopleiding Godsdienst van Fontys Hogeschool die stelt al sinds het studiejaar 2015-2016 studievertraging te hebben opgelopen als gevolg van onrechtmatige beslissingen van de examencommissie. Hij richtte zich tot het College van Bestuur met het verzoek deze vertraging financieel te vergoeden. De voorgeschiedenis laat een reeks procedures zien waarbij de student meerdere keren in het gelijk werd gesteld door het College van Beroep voor de Examens (CBE). Zo werd in 2021 een schikking gesloten over de beëindiging van een stage, en werd in 2025 tweemaal het beroep van de student gegrond verklaard: eenmaal ten aanzien van het uitblijven van concrete feedback bij het vak 'Werken in de praktijk', en eenmaal ten aanzien van de beoordeling van het vak 'Filosofie' en de weigering van een extra herkansing. In het laatste geval stelde het CBE vast dat de examinator afwijkende en niet gecommuniceerde beoordelingscriteria had gehanteerd, hetgeen in strijd was met de zorgvuldigheidsvereisten. De zaak ligt nu voor bij de Raad van State, vermoedelijk in hoger beroep over de vraag of het College van Bestuur gehouden is de studievertraging te vergoeden. De beschikbare uitspraaktekst is echter onvolledig: de beslissende overwegingen en het dictum van de Raad van State ontbreken. Hierdoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat de Raad van State heeft beslist over de schadevergoedingsvordering. De zaak illustreert de complexiteit van langdurige studiegerelateerde conflicten en de grenzen van rechtsbescherming in het hoger onderwijs.