RvS bevestigt invordering dwangsom recreatiewoning als hoofdverblijf
ECLI:NL:RVS:2026:4409, Raad van State, 29-07-2026, 202504805/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 28.000,00. [appellant] is sinds 16 mei 2003 eigenaar van de recreatiewoning op het adres [locatie] in Heel. Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn van twee jaar, omdat hij de recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan Heel-Panheel gebruikt. [appellant] gebruikt de recreatiewoning als hoofdverblijf. Het college heeft aan het niet beëindigen en beëindigd houden van de overtreding een dwangsom verbonden van € 4.000,00 per kalendermaand, met een maximum van € 48.000,00. Dit besluit staat in rechte vast. Het college heeft na afloop van de begunstigingstermijn geconstateerd dat het gebruik van de recreatiewoning als hoofdverblijf niet is beëindigd. Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het college de verbeurde dwangsommen ingevorderd. Dit gaat om een bedrag van € 28.000,00.
Kern van de zaak
Eigenaar van een recreatiewoning in Heel gebruikt dit pand als hoofdverblijf in strijd met het bestemmingsplan. Het college legde een last onder dwangsom op en vorderde € 28.000 in na het niet beëindigen van de overtreding. Appellant vocht de invordering aan met een beroep op zijn financiële en psychische situatie.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de invordering van de dwangsom in stand. Daarnaast wordt een schadevergoeding van in totaal € 2.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, verdeeld over het college (€ 1.226) en de Staat (€ 774).
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over dwangsominvordering en redelijke-termijnvergoeding en heeft geen vernieuwende rechtsvormende betekenis; de impact blijft beperkt tot de directe betrokkenen.
Belangrijkste punten
- 1Last onder dwangsom van € 4.000 per maand (max. € 48.000) is na twee jaar begunstigingstermijn onherroepelijk geworden
- 2College heeft na advies van de bezwaarcommissie alsnog nader onderzoek gedaan naar financiële en psychische situatie appellant, maar is afgeweken van het advies om invordering te staken
- 3Invordering van € 28.000 wegens gebruik recreatiewoning als hoofdverblijf blijft in stand
- 4Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn toegewezen: € 1.226 door college, € 774 door de Staat
- 5Proceskosten inzake schadevergoedingsverzoek ad € 233,50 komen voor rekening van het college
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een college bij invordering van verbeurde dwangsommen weliswaar de financiële en psychische situatie van de overtreder moet betrekken, maar dat dit niet automatisch leidt tot afzien van invordering. De redelijke-termijnvergoeding wordt conform vaste RvS-lijn verdeeld tussen bestuursorgaan en Staat.
Praktische impact
Appellant moet de reeds verbeurde dwangsom van € 28.000 betalen en ontvangt slechts een beperkte compensatie van € 2.000 voor de lange duur van de procedure. De overtreding (bewoning recreatiewoning als hoofdverblijf) moet alsnog worden beëindigd.
Onderwerp-impact
Voor eigenaren van recreatiewoningen die deze als hoofdverblijf gebruiken, onderstreept deze uitspraak dat bestemmingsplanhandhaving via dwangsommen effectief wordt doorgezet, ook wanneer de overtreder financiële of persoonlijke problemen aanvoert.
Samenvatting
Deze zaak draait om de invordering van verbeurde dwangsommen die het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw heeft opgelegd aan een eigenaar die zijn recreatiewoning in Heel al jaren gebruikt als hoofdverblijf, in strijd met het geldende bestemmingsplan. De last onder dwangsom van € 4.000 per kalendermaand, met een maximum van € 48.000, werd opgelegd in 2018 en staat onherroepelijk vast. Na het verstrijken van de begunstigingstermijn van twee jaar constateerde het college dat de overtreding niet was beëindigd en vorderde het € 28.000 in. Appellant maakte bezwaar en beriep zich op zijn financiële en psychische situatie. De gemeentelijke bezwaarcommissie adviseerde het college nader onderzoek te doen voordat tot invordering werd overgegaan, maar het college week van dit advies af nadat het aanvullend onderzoek had verricht op basis van door appellant verstrekte gegevens. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. Het college heeft naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd waarom invordering gerechtvaardigd is, ook na kennisneming van de persoonlijke omstandigheden van appellant. Bijzondere omstandigheden die volledig of gedeeltelijk afzien van invordering zouden rechtvaardigen, zijn niet aanwezig geacht. Wel wijst de Raad van State het verzoek om schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. In totaal wordt € 2.000 toegekend: € 1.226 door het college en € 774 door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). Daarnaast wordt het college veroordeeld in de proceskosten ter hoogte van € 233,50. De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat financiële en psychische omstandigheden weliswaar relevant zijn bij invorderingsbeslissingen, maar doorgaans niet leiden tot het achterwege laten van invordering.