JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4400Laag28/100

Urgentieverklaring afgewezen wegens ontbrekende BRP-inschrijving Amsterdam

ECLI:NL:RVS:2026:4400, Raad van State, 29-07-2026, 202502507/1/A2

Raad van StateUitspraak: 29 juli 2026Publicatie: 29 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202502507/1/A2
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Overheid
Vastgoed
Vergunningen
Urgentieverklaring
Huisvestingsverordening
Hardheidsclausule
Sociale Huurwoning
Brp Inschrijving

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 20 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] heeft op 20 september 2023 een urgentieverklaring aangevraagd. Hij is in 2010 gescheiden van zijn ex-partner. Na de scheiding is hun woning aan zijn ex-partner toegewezen. Samen met zijn ex-partner heeft hij drie kinderen. De kinderen wonen bij zijn ex-partner. [appellant] heeft diabetes. In 2018 heeft hij een beroerte gehad. Verder is hij bij De Waag onder behandeling geweest voor psychische klachten. Het college heeft de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen, omdat hij niet voldoet aan de eis dat hij voorafgaand aan de aanvraag minimaal vier jaar onafgebroken in Amsterdam heeft gewoond. In de periode 13 juni 2019 tot en met 27 mei 2020 stond [appellant] namelijk niet geregistreerd in de basisregistratie personen (BRP) van Amsterdam.

Kern van de zaak

Een Amsterdammer vroeg in 2023 een urgentieverklaring aan voor sociale huurwoning. Het college wees de aanvraag af omdat hij in de periode juni 2019 tot mei 2020 niet in de BRP van Amsterdam stond ingeschreven, waardoor hij niet voldeed aan de eis van vier jaar onafgebroken inschrijving voorafgaand aan de aanvraag.

Beslissing van de rechter

De Raad van State bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring; de aanvrager voldoet niet aan de minimale vierjaarsinschrijvingseis uit de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 vanwege een onderbreking in de BRP-registratie, en er is geen grond gevonden om de hardheidsclausule toe te passen.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een toepassing van bestaand gemeentelijk huisvestingsbeleid in een individueel geval zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie over inschrijvingseisen en hardheidsclausules.

Belangrijkste punten

  • 1Aanvrager voldoet niet aan de eis van minimaal vier jaar onafgebroken BRP-inschrijving in Amsterdam voorafgaand aan de aanvraag (art. Hvv 2020)
  • 2Onderbreking in BRP-inschrijving van juni 2019 tot mei 2020 doorbreekt de vereiste aaneengesloten periode
  • 3Het college heeft geen aanleiding gezien de hardheidsclausule toe te passen, ondanks medische omstandigheden (diabetes, beroerte, psychische klachten)
  • 4Verwijzing naar artikel 14 Huisvestingswet 2014 gaat niet op: die bepaling ziet op huisvestingsvergunningen, niet op urgentieverklaringen
  • 5Dwingende bepalingen in de Hvv laten in beginsel geen ruimte voor een belangenafweging buiten de hardheidsclausule om

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat de formele inschrijvingseis in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 strikt wordt toegepast en dat persoonlijke of medische omstandigheden alleen via de hardheidsclausule kunnen worden meegewogen, niet als zelfstandige weigeringsgrond.

Praktische impact

Woningzoekenden in Amsterdam die een onderbreking in hun BRP-inschrijving hebben gehad, kunnen geen urgentieverklaring aanvragen totdat zij opnieuw vier jaar onafgebroken staan ingeschreven, ook als zij feitelijk grotendeels in Amsterdam verbleven.

Onderwerp-impact

Voor de sociale huisvestingspraktijk benadrukt dit vonnis dat gemeenten hun urgentiebeleid strikt formalistisch mogen uitvoeren, waarbij het ontbreken van BRP-registratie zwaarder weegt dan feitelijke woonsituatie of medische kwetsbaarheid.

Samenvatting

In deze zaak heeft de Raad van State geoordeeld over de afwijzing van een urgentieverklaring voor een sociale huurwoning in Amsterdam. De aanvrager, een man die in 2010 scheidde en sindsdien geen eigen woning meer had, kampt met ernstige medische problemen waaronder diabetes, een doorgemaakte beroerte en psychische klachten waarvoor hij behandeld is. Op 20 september 2023 diende hij een aanvraag in voor een urgentieverklaring bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees de aanvraag af omdat de aanvrager niet voldeed aan de in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv) gestelde eis dat een aanvrager voorafgaand aan de aanvraag minimaal vier jaar onafgebroken in de basisregistratie personen (BRP) van Amsterdam ingeschreven moet hebben gestaan. Uit de BRP bleek dat hij in de periode van 13 juni 2019 tot en met 27 mei 2020 niet in Amsterdam was ingeschreven, waardoor de vereiste onafgebroken periode werd doorbroken. Het college zag evenmin aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat het college de aanvraag terecht had afgewezen. De dwingende bepalingen van de Hvv laten geen ruimte voor een eigen belangenafweging buiten de hardheidsclausule om. Het beroep op artikel 14 van de Huisvestingswet 2014 werd verworpen, omdat die bepaling betrekking heeft op huisvestingsvergunningen en economische of maatschappelijke binding, en niet op urgentieverklaringen. De Raad van State bevestigt dit oordeel. De uitspraak laat zien dat gemeenten de formele inschrijvingseis in urgentiebeleid strikt mogen handhaven, en dat persoonlijke of medische omstandigheden alleen via een uitdrukkelijke hardheidsclausule in aanmerking kunnen worden genomen. Dit is een individuele zaak die geen nieuw recht stelt, maar de bestaande strikte toepassing van het Amsterdamse urgentiebeleid bevestigt.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 30 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5123, Raad van State, 09-09-2026, 202203505/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5312Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5312, Raad van State, 09-09-2026, 202500668/1/A2

Raad van State9 sep 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied