Rechtbank onbevoegd verklaard in vreemdelingenzaak na procedurefout
ECLI:NL:RVS:2026:4392, Raad van State, 31-07-2026, BRS.26.000333
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 21 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Een vreemdeling had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie over heroverweging van een terugkeerbesluit en SIS-signalering. De rechtbank Den Haag behandelde dit beroep, terwijl de zaak hangende hoger beroepen bij de Afdeling bestuursrechtspraak al onder artikel 6:19 Awb van rechtswege bij de Afdeling was ondergebracht. Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 is vernietigd. De Afdeling verklaart de rechtbank alsnog onbevoegd, omdat de besluiten van 10 oktober 2024 en 30 januari 2025 op grond van artikel 6:19 Awb van rechtswege onderdeel waren van de lopende hoger beroepen bij de Afdeling, en noch de minister noch de rechtbank deze besluiten conform artikel 6:19, derde en vierde lid, Awb heeft doorgezonden aan de Afdeling.
Impactscore
LaagDe uitspraak is procesrechtelijk van aard en bevestigt reeds bestaande jurisprudentie over artikel 6:19 Awb zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de impact is beperkt tot de betrokken zaak en de bevestiging van een bekende doorzendprocedure.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 6:19 Awb is van openbare orde: de Afdeling beoordeelt ambtshalve of de rechtbank bevoegd was.
- 2Besluiten genomen hangende hoger beroep vallen van rechtswege onder die hoger beroepen (art. 6:19 jo. 6:24 Awb).
- 3Zowel de minister als de rechtbank hebben nagelaten de besluiten door te zenden aan de Afdeling conform art. 6:19 lid 3 en 4 Awb.
- 4De Afdeling trekt de besluiten van 10 oktober 2024 en 30 januari 2025 in de hoger beroepen in zaak nr. 202403774/1/V3.
- 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten bij appellant.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat artikel 6:19 Awb als bepaling van openbare orde ambtshalve wordt getoetst en dat hangende hoger beroep genomen besluiten automatisch bij de Afdeling thuishoren, niet bij de rechtbank. Dit sluit aan bij eerdere uitspraken (ECLI:NL:RVS:2023:4100 en ECLI:NL:RVS:2026:4179) en verduidelijkt de doorzendplicht voor zowel bestuursorganen als rechters.
Praktische impact
Voor vreemdelingen en hun gemachtigden betekent dit dat beroepen die worden ingesteld bij de rechtbank terwijl een hoger beroep over hetzelfde besluit loopt, worden vernietigd wegens onbevoegdheid, wat tot vertraging en extra procedurestappen kan leiden. De minister dient de proceskosten te vergoeden.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken met terugkeerbesluiten en SIS-signaleringen is zorgvuldige procesrechtelijke routing cruciaal; fouten in de doorzending kunnen leiden tot onbevoegdverklaringen en vernietiging van rechterlijke uitspraken.
Samenvatting
In deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 juli 2026 staat een vreemdelingenzaak centraal die draait om een terugkeerbesluit en de verwijdering van een SIS-signalering. De minister van Asiel en Migratie had op 10 oktober 2024 een nieuw besluit genomen op een verzoek om heroverweging, en op 30 januari 2025 het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Deze besluiten werden genomen terwijl hoger beroepen over de eerdere uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2024 nog liepen bij de Afdeling. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb vallen besluiten die worden genomen hangende een hoger beroep van rechtswege onder dat hoger beroep. De Afdeling beoordeelt de bevoegdheid van de rechtbank ambtshalve, omdat artikel 6:19 Awb van openbare orde is. De Afdeling stelt vast dat noch de minister noch de rechtbank de besluiten heeft doorgezonden aan de Afdeling, zoals vereist op grond van artikel 6:19, derde en vierde lid, Awb. De rechtbank heeft zich daardoor ten onrechte bevoegd geacht en het beroep tegen het besluit van 30 januari 2025 in behandeling genomen. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025 en verklaart de rechtbank alsnog onbevoegd. De besluiten van 10 oktober 2024 en 30 januari 2025 worden betrokken bij de hoger beroepen in zaak nr. 202403774/1/V3. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak en onderstreept het belang van correcte naleving van de doorzendplicht in gevallen waarbij besluiten worden genomen hangende een hoger beroep.