JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4388Laag12/100

Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting via voorlopige voorziening

ECLI:NL:RVS:2026:4388, Raad van State, 31-07-2026, BRS.26.003636

Raad van StateUitspraak: 31 juli 2026Publicatie: 29 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.003636
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Hoger Beroep
Asiel
Voorlopige Voorziening
Vreemdelingenrecht
Uitzetting

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 8 april 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 9 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep van verzoeker gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Kern van de zaak

Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing in zijn asielzaak en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op dat hoger beroep is beslist. Daarnaast vroeg hij om opvang en verstrekkingen gedurende de procedure.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter van de Raad van State heeft de voorlopige voorziening toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is de toepassing van de standaardmaatstaf uit de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457).

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een individuele procedurele tussenmaatregel in een vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitspraak past standaardjurisprudentie toe en heeft geen precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst tot beslissing op hoger beroep
  • 2Verzoek om opvang en verstrekkingen meegenomen in het verzoek
  • 3Toepassing van de vaste Afdelingsmaatstaf uit ECLI:NL:RVS:2019:457
  • 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot betaling van € 934,00 proceskosten
  • 5Uitspraak betreft een voorlopige maatregel; inhoudelijke beoordeling hoger beroep volgt nog

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak past de gevestigde Afdelingsjurisprudentie toe waarbij bij voldoende aanvoering een schorsende voorlopige voorziening in vreemdelingenzaken wordt getroffen. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.

Praktische impact

De vreemdeling is beschermd tegen uitzetting zolang zijn hoger beroep loopt en ontvangt rechtsbijstandskosten vergoed; de minister kan de uitzetting niet effectueren gedurende de beroepsprocedure.

Onderwerp-impact

In asiel- en migratiezaken biedt dit een bevestiging van de praktijk dat hoger beroep gecombineerd met een voorlopige voorziening een effectief instrument is om uitzetting tijdelijk te blokkeren.

Samenvatting

In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening in het kader van een door hem ingesteld hoger beroep. Het verzoek strekte ertoe dat hij niet zou worden uitgezet voordat op zijn hoger beroep is beslist, en dat hij gedurende de procedure recht zou hebben op opvang en verstrekkingen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de vaste maatstaf die de Afdeling hanteert in vreemdelingenzaken, zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Op grond van hetgeen is aangevoerd heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er voldoende aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Concreet betekent dit dat bij wijze van voorlopige voorziening is bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling een definitieve beslissing heeft genomen op het hoger beroep. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, vastgesteld op € 934,00, geheel toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is een procedurele tussenmaatregel en zegt niets over de inhoudelijke kansen van het hoger beroep zelf. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld; de voorzieningenrechter past bewust de bestaande Afdelingslijn toe. De praktische betekenis is aanzienlijk voor de vreemdeling zelf: hij is voorlopig beschermd tegen gedwongen terugkeer. Voor de rechtsontwikkeling in bredere zin heeft de uitspraak weinig gewicht.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 8 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1512

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

12/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1491

Hoge Raad: lagere rechter mag HR-rechtspraak volgen zonder prejudiciële vragen

62/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1519

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

8/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1511

Hoge Raad verklaart cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen