Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4384, Raad van State, 30-07-2026, BRS.26.003603
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 juli 2023 en heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft bij de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd om niet te worden uitgezet voordat zijn hoger beroep is behandeld, en tevens om opvang en verstrekkingen te ontvangen.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist; de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. Doorslaggevend is hetgeen is aangevoerd, in lijn met de vaste jurisprudentie van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een standaard voorlopige voorziening in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvragen; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de uitspraak volgt vaste Afdelingsjurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst tot uitspraak in hoger beroep
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen is mede onderdeel van het verzoek
- 3Toetsingscriterium gebaseerd op vaste Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00 voor professionele rechtsbijstand
- 5Uitspraak betreft een voorlopige maatregel; de bodemprocedure (hoger beroep) loopt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling dat een voorlopige voorziening wordt getroffen wanneer hetgeen is aangevoerd daartoe aanleiding geeft, zonder verdere inhoudelijke motivering op dit moment. Dit is een routinematige toepassing van bestaande jurisprudentie.
Praktische impact
Verzoeker kan niet worden uitgezet zolang zijn hoger beroep loopt, wat hem de mogelijkheid geeft de bodemprocedure in Nederland af te wachten; de overheid draagt de proceskosten.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht biedt deze uitspraak de betrokken vreemdeling tijdelijke rechtsbescherming tegen uitzetting; de uitkomst van het hoger beroep zal de definitieve verblijfspositie bepalen.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij verzocht te worden gevrijwaard van uitzetting totdat op zijn lopende hoger beroep zou zijn beslist, en bovendien aanspraak te maken op opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De minister van Asiel en Migratie was de verwerende partij. De juridische vraag betrof of er voldoende grond aanwezig was om uitzetting hangende het hoger beroep te schorsen. De voorzieningenrechter overweegt kort maar doelgericht: gelet op hetgeen is aangevoerd, is er aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hiermee sluit de rechter aan bij de vaste lijn van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), die als standaardreferentie geldt in dergelijke verzoeken. De voorzieningenrechter bepaalt vervolgens dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling in de hoofdzaak (het hoger beroep) uitspraak heeft gedaan. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft een beperkte juridische reikwijdte: zij regelt uitsluitend een tijdelijke maatregel en laat de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep volledig open. Voor de verzoeker heeft de beslissing echter directe en ingrijpende praktische betekenis, omdat hij voorlopig rechtmatig in Nederland kan verblijven en niet gedwongen kan worden het land te verlaten hangende de procedure.