Raad van State: Dublin-overdracht naar Slovenië alsnog toegestaan
ECLI:NL:RVS:2026:4383, Raad van State, 30-07-2026, BRS.26.001490
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 14 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker met een Dublinclaim op Slovenië vocht de overdracht aan bij de rechtbank, die de minister in het ongelijk stelde. De minister ging in hoger beroep bij de Raad van State over de toegang tot opvangvoorzieningen in Slovenië en de toepasselijkheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen) is vernietigd; het oorspronkelijke beroep van de asielzoeker is alsnog ongegrond verklaard. De doorslaggevende reden is dat de Afdeling in een parallelle uitspraak van 29 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4375) heeft geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Slovenië geldt en dat de toegang tot opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten aldaar voldoende is gewaarborgd.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is sterk afhankelijk van de moederuitspraak van 29 juli 2026 en heeft op zichzelf beperkte zelfstandige rechtsontwikkelende waarde; de impact is vooral relevant voor de specifieke groep Dublinclaimanten met Slovenië als verantwoordelijke lidstaat.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling verwijst voor de rechtsvraag over Slovenië als Dublinland volledig naar haar uitspraak van 29 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4375).
- 2Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt onverkort voor Slovenië; overdracht is toegestaan.
- 3Geen prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU, conform het Remling-arrest (ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
- 4Alle beroepsgronden zijn door de rechtbank behandeld; er resteren geen onbesproken gronden voor hernieuwde toetsing.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan de asielzoeker.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt en past de lijn toe die de Afdeling een dag eerder heeft uitgezet over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Slovenië in Dublinzaken, waarmee een consistente rechtslijn voor gelijksoortige zaken wordt verankerd.
Praktische impact
Dublinclaimanten die overdracht naar Slovenië aanvechten op grond van ontoereikende opvangomstandigheden, zullen met deze en de parallelle uitspraak te maken krijgen; hun beroepen op dit punt zullen in beginsel falen.
Onderwerp-impact
Voor de asielpraktijk betekent dit dat Slovenië als Dublinpartnerland betrouwbaar wordt geacht en dat overdrachten naar dat land doorgang kunnen vinden zonder nadere individuele toetsing van de opvangomstandigheden.
Samenvatting
In deze zaak ging het om een asielzoeker jegens wie de minister een Dublinclaim op Slovenië had gelegd. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen) had op 23 maart 2026 de minister in het ongelijk gesteld, vermoedelijk omdat zij twijfels had over de toegang tot opvangvoorzieningen in Slovenië of over de toepasselijkheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De centrale rechtsvraag betrof de vraag of het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing is op Slovenië als Dublinland en of Dublinclaimanten daar adequate toegang hebben tot opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft deze vraag echter niet opnieuw inhoudelijk beoordeeld, maar verwezen naar haar uitspraak van slechts één dag eerder, 29 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4375), waarin dit punt uitvoerig is behandeld en beslist. Uit die uitspraak volgt dat het vertrouwensbeginsel geldt en dat de opvang in Slovenië voldoende is gewaarborgd. De Afdeling oordeelde voorts dat het hogerberoepschrift geen aanleiding gaf tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, in lijn met het Remling-arrest van 24 maart 2026. Omdat alle beroepsgronden van de asielzoeker reeds door de rechtbank waren besproken en er dus geen onbehandelde gronden resteerden, kon de Afdeling de zaak zelf afdoen door het beroep alsnog ongegrond te verklaren. De uitkomst is dat het hoger beroep van de minister gegrond is verklaard, de uitspraak van de rechtbank is vernietigd en het beroep van de asielzoeker ongegrond is. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Deze uitspraak fungeert als toepassingsuitspraak van de de dag ervoor uitgezette rechtslijn over Slovenië als Dublinland.