Bewaring asielzoeker tijdens procedure rechtmatig bevestigd
ECLI:NL:RVS:2026:4381, Raad van State, 30-07-2026, BRS.26.002314
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 20 april 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 6 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Kern van de zaak
Een asielzoeker ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een opgelegde bewaringsmaatregel. De bewaring was gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 (omzetting van artikel 8, derde lid, Opvangrichtlijn). De rechtbank had de bewaring eerder rechtmatig geacht.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend is dat artikel 8, derde lid, onder b, van de Opvangrichtlijn een geldige grondslag biedt voor bewaring gedurende de volledige behandeling van het asielverzoek tot aan de beslissing door de minister, zoals de Afdeling reeds had geoordeeld op 21 juli 2026.
Impactscore
LaagDe uitspraak voegt geen nieuw recht toe maar past een reeds op 21 juli 2026 gevestigde lijn toe via een verkorte motivering op grond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000. De zaak is enkelvoudig afgedaan en heeft beperkte zelfstandige precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 (omzetting Opvangrichtlijn) biedt een grondslag voor bewaring voor de gehele duur van de asielprocedure tot aan de ministeriële beslissing.
- 2De Afdeling verwijst naar haar eerdere uitspraak van 21 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4204) en acht verdere motivering niet vereist op grond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000.
- 3Geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie: redelijkerwijs bestaat geen twijfel (acte clair), conform Cilfit, Consorzio Italian Management en Remling.
- 4Ambtshalve toetsing leverde evenmin aanleiding op om de bewaring onrechtmatig te achten.
- 5Het recht van vóór 12 juni 2026 is van toepassing op deze zaak.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling over de reikwijdte van de bewaringsgrond ex artikel 59b, eerste lid, onder b, Vw 2000 en sluit aan bij de kort daarvoor gevormde jurisprudentie van 21 juli 2026. Prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU wordt expliciet niet nodig geacht.
Praktische impact
Asielzoekers die op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b, Vw 2000 in bewaring zijn gesteld, kunnen deze grondslag niet met succes aanvechten met het argument dat bewaring slechts voor een beperkt deel van de asielprocedure geldt.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht staat hiermee vast dat de bewaring op asielgronden de gehele procedurele fase tot aan de ministeriële beslissing kan bestrijken, zonder dat nadere rechtvaardiging per procesfase vereist is.
Samenvatting
In deze zaak stond de rechtmatigheid centraal van een bewaringsmaatregel opgelegd aan een asielzoeker op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, de Nederlandse omzetting van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Europese Opvangrichtlijn. De appellant had hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nadat de rechtbank de bewaring rechtmatig had geacht. De kern van het geschil betrof de vraag of genoemde bepaling een toereikende grondslag biedt voor bewaring gedurende de volledige behandeling van een asielverzoek, tot aan de beslissing door de minister. De Afdeling verwierp het hoger beroep als ongegrond. Zij verwees naar haar uitspraak van 21 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4204), waarin zij reeds had vastgesteld dat de betreffende bepaling naar haar bewoordingen is bedoeld als grondslag voor bewaring voor de gehele duur van de asielprocedure. Omdat het hogerberoepschrift geen vragen opwierp die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord dienden te worden, paste de Afdeling de verkorte motiveringsregel van artikel 91, tweede lid, Vw 2000 toe. Met betrekking tot een mogelijke prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie van de EU oordeelde de Afdeling dat redelijkerwijs geen twijfel bestond over de uitleg van het Unierecht, conform de acte-clairdoctrine zoals neergelegd in de arresten Cilfit (1982), Consorzio Italian Management (2021) en Remling (2026). Ook ambtshalve zag de Afdeling geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. De zaak is van beperkte zelfstandige betekenis nu zij de eerder gevormde jurisprudentielijn enkel bevestigt.