Hoger beroep Dublinclaim Slovenië ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4379, Raad van State, 30-07-2026, BRS.26.003394
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 31 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over een Dublinclaim. De zaak betreft de toegang tot opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten en het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Slovenië.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, nu de relevante rechtsvraag reeds één dag eerder door de Afdeling was beantwoord in ECLI:NL:RVS:2026:4375.
Impactscore
LaagDe zaak is enkelvoudig afgedaan zonder inhoudelijke motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 en voegt niets nieuws toe aan het recht; de relevante rechtsvraag was al de dag ervoor beantwoord in een andere uitspraak.
Belangrijkste punten
- 1Afdeling past de verkorte motiveringsplicht toe op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen inhoudelijke beoordeling vereist).
- 2De centrale rechtsvraag over opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten en het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Slovenië was reeds beantwoord in RvS 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4375.
- 3Het hogerberoepschrift riep geen prejudiciële vragen op over uitleg of geldigheid van Unierecht (conform HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243).
- 4De minister behoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5De zaak is enkelvoudig afgedaan, wat de geringe complexiteit of herhaling van de rechtsvraag onderstreept.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij de precedentwerking van ECLI:NL:RVS:2026:4375 inzake het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Slovenië. Er worden geen nieuwe rechtsvragen gesteld of beantwoord.
Praktische impact
Voor de appellant betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat de Dublinclaim in stand blijft en overdracht aan Slovenië ongewijzigd wordt voortgezet. Geen proceskosten worden vergoed.
Onderwerp-impact
De uitspraak heeft beperkte zelfstandige betekenis voor het vreemdelingenbeleid, maar bevestigt de bestendige lijn ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Slovenië in Dublinzaken.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep ingesteld door een vreemdeling (appellant) tegen een uitspraak van de rechtbank over een Dublinclaim, in het bijzonder de toegang tot opvangvoorzieningen en de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Slovenië. De advocaat van appellant, mr. P.H. Hillen, voerde het hoger beroep voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard zonder inhoudelijke motivering, gebruikmakend van de verkorte afdoeningsprocedure die is neergelegd in artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikellid bepaalt dat een uitspraak niet nader gemotiveerd hoeft te worden indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. De Afdeling stelt vast dat de centrale rechtsvraag in deze zaak — over de toegang tot opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten en het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Slovenië — reeds één dag eerder was beantwoord in de uitspraak van 29 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4375). Daarmee ontbreekt de noodzaak tot een nieuwe inhoudelijke beoordeling. Bovendien bevat het hogerberoepschrift geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, in overeenstemming met de maatstaf die het Hof van Justitie heeft geformuleerd in het arrest Remling van 24 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:243). De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden en de zaak is enkelvoudig afgedaan. De uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwerking, maar bevestigt de bestendige lijn van de Afdeling inzake het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Slovenië in Dublinclaimprocedures.