Raad van State: beroep Dublin-Slovenië niet-ontvankelijk verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4375, Raad van State, 29-07-2026, BRS.25.001581
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 15 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker vroeg een verblijfsvergunning aan, maar de minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat Slovenië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat hij het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Slovenië mocht toepassen. De minister ging in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag en verklaart het oorspronkelijke beroep niet-ontvankelijk. De doorslaggevende reden is gelegen in procedurele gronden, waarbij de minister desondanks belang had bij de beoordeling vanwege de precedentwerking van de rechtbankuitspraak over de opvangsituatie in Slovenië.
Impactscore
HoogDe uitspraak heeft significante precedentwerking voor een reeks vergelijkbare Dublin-Slovenië zaken en stelt een duidelijke norm voor de motiveringsplicht van de minister, maar is beperkt tot één lidstaat en een specifiek tijdsbestek (recht vóór 12 juni 2026).
Belangrijkste punten
- 1De minister hoefde geen nader onderzoek te verrichten naar de opvangsituatie in Slovenië en mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
- 2De overdrachtstermijn aan Slovenië was reeds verstreken, maar de minister behield procesbelang vanwege precedentwerking van de rechtbankuitspraak.
- 3De rechtbank had vastgesteld dat tekortkomingen in de Sloveense opvangvoorzieningen nog niet structureel van aard zijn.
- 4De uitspraak betreft specifiek de toegang van Dublinclaimanten tot opvangvoorzieningen en rechtsbijstand in Slovenië.
- 5Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026, wat duidt op een overgangssituatie in het asielrecht.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de minister bij Dublin-overdrachten aan Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zonder aanvullend onderzoeksplicht, wat rechtbanken bindt in vergelijkbare zaken. De precedentwerking raakt de toetsingsmaatstaf voor opvangomstandigheden in Slovenië in toekomstige Dublinprocedures.
Praktische impact
Asielzoekers die via de Dublinverordening naar Slovenië worden overgedragen, kunnen niet zonder meer een geslaagd beroep doen op structurele tekortkomingen in de Sloveense opvang als grond om overdracht te voorkomen. De uitspraak bemoeilijkt het aanvechten van Dublin-beslissingen ten aanzien van Slovenië.
Onderwerp-impact
Voor de asielpraktijk betekent dit dat rechtbanken bij Slovenië-zaken de lat voor het weerleggen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel hoog moeten leggen, in lijn met de door de Afdeling gehanteerde toetsingsmaatstaf voor artikel 4 EU Handvest.
Samenvatting
In deze uitspraak van 29 juli 2026 buigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich over de vraag of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij bij de toepassing van de Dublinverordening voor Slovenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De asielzoeker had een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, maar de minister weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Slovenië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was. De rechtbank Den Haag had eerder geoordeeld dat de minister, zonder nader onderzoek naar de situatie in Slovenië, ten onrechte had aangenomen dat Dublinclaimanten bij terugkeer geen reëel risico lopen op schending van artikel 4 van het EU Handvest, dat foltering en onmenselijke behandeling verbiedt. De minister stelde hoger beroep in, mede om de precedentwerking van de rechtbankuitspraak te keren, ook al was de overdrachtstermijn inmiddels verstreken. De Afdeling erkent dit procesbelang en gaat inhoudelijk in op de opvangomstandigheden in Slovenië, waarbij het AIDA-rapport 2025 een centrale rol speelt. De rechtbank had vastgesteld dat er weliswaar tekortkomingen zijn in de Sloveense opvangvoorzieningen, maar dat deze nog niet structureel van aard zijn. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het oorspronkelijke beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak maakt duidelijk dat de minister voor Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de drempel voor het aannemen van een schending van artikel 4 EU Handvest hoog blijft. Voor de asielpraktijk heeft dit directe gevolgen: Dublinclaimanten die terugkeer naar Slovenië willen voorkomen op grond van opvangtekortkomingen, zullen moeten aantonen dat die tekortkomingen een structureel karakter hebben. Tevens is van belang dat op deze zaak het recht van toepassing is dat gold vóór 12 juni 2026, wat wijst op een naderende wetswijziging in het asielrecht.