Minister Asiel verliest verzoek voorlopige voorziening vreemdelingenzaak
ECLI:NL:RVS:2026:4370, Raad van State, 30-07-2026, BRS.26.003607
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister van Asiel wn Migratie een aanvraag van betrokkene om verlenging van haar verblijfsdocument EU/EER, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Kern van de zaak
De minister van Asiel en Migratie verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij een uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren hangende zijn hoger beroep. Betrokkene (vermoedelijk een vreemdeling) verweerde zich hiertegen.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen: de voorzieningenrechter oordeelde na afweging van de belangen van beide partijen dat geen reden bestaat om de uitvoering van de rechtbankuitspraak op te schorten. De minister wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van € 934,00.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele beslissing in een individuele vreemdelingenzaak zonder kenbare principiële rechtsvragen; de motivering is uiterst summier en er zijn geen aanwijzingen dat de uitkomst afwijkt van gangbare praktijk.
Belangrijkste punten
- 1De minister van Asiel en Migratie verzocht schorsing van de uitvoering van een rechtbankuitspraak hangende hoger beroep
- 2De voorzieningenrechter heeft een belangenafweging gemaakt en oordeelde dat de belangen van betrokkene zwaarder wegen
- 3Het verzoek om voorlopige voorziening is integraal afgewezen
- 4De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad € 934,00 (rechtsbijstand)
- 5De uitspraak is summier gemotiveerd; de feitelijke achtergrond van de onderliggende zaak is niet kenbaar uit de beschikbare tekst
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een minister die bij de Raad van State in hoger beroep gaat niet automatisch aanspraak kan maken op schorsing van een voor hem ongunstige rechtbankuitspraak; ook overheidsorganen moeten een zwaarwegend belang aantonen. De uitspraak heeft echter beperkte precedentwaarde omdat de motivering summier is.
Praktische impact
De minister moet de uitspraak van de rechtbank onmiddellijk uitvoeren en kan daarmee niet wachten tot de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist; betrokkene profiteert direct van de door de rechtbank toegewezen rechten of bescherming.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken behoudt de betrokken persoon zijn rechtspositie zoals door de rechtbank vastgesteld, hetgeen praktisch relevant kan zijn bij verblijfsrechtelijke of uitzetprocedures.
Samenvatting
In deze zaak verzocht de minister van Asiel en Migratie de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. Concreet wilde de minister dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoefde uit te voeren zolang zijn hoger beroep bij de Afdeling nog niet was beslecht. Betrokkene — vermoedelijk een vreemdeling wiens zaak door de rechtbank in zijn voordeel was beslist — heeft zich hiertegen verweerd door een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. De voorzieningenrechter heeft de wederzijdse belangen tegen elkaar afgewogen en geconcludeerd dat er onvoldoende grond is om de uitvoering van de rechtbankuitspraak op te schorten. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. Daarmee moet de minister de uitspraak van de rechtbank direct nakomen en kan hij niet wachten op de definitieve beslissing in hoger beroep. De minister wordt daarnaast veroordeeld tot betaling van de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 934,00, geheel toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is beknopt gemotiveerd en bevat geen uitgebreide inhoudelijke overwegingen over de onderliggende vreemdelingenrechtelijke kwestie. De juridische kern is gelegen in de belangenafweging die bij voorlopige voorzieningen gebruikelijk is: het spoedeisend belang bij schorsing moet opwegen tegen het belang van de wederpartij bij onmiddellijke uitvoering. In dit geval legt de balans door ten gunste van betrokkene. De uitspraak heeft beperkte precedentwaarde maar illustreert dat overheidsorganen bij de Raad van State evenmin als vanzelfsprekend een schorsende werking verkrijgen voor hun hoger beroep.