Minister veroordeeld in proceskosten na alsnog nemen asielbesluit
ECLI:NL:RVS:2026:4369, Raad van State, 30-07-2026, BRS.25.001028
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 2025 in zaak nr. NL25.23233. De minister van Asiel en Migratie heeft een nader stuk ingediend. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de minister te veroordelen in de bij verzoeker opgekomen proceskosten.
Kern van de zaak
Een asielzoeker had hoger beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Hangende het hoger beroep nam de minister alsnog een besluit (afwijzing asielaanvraag op 26 juni 2026), waarna verzoeker het hoger beroep introk en verzocht om proceskostenveroordeling van de minister.
Beslissing van de rechter
De Raad van State veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten (€ 467,00) omdat het alsnog nemen van een besluit hangende het beroep geldt als tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75 Awb. Het beroep van rechtswege tegen het inhoudelijke asielbesluit van 26 juni 2026 wordt verwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle.
Impactscore
LaagDe uitspraak past uitsluitend vaste jurisprudentie toe zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de praktische betekenis beperkt zich tot de proceskostenveroordeling en verwijzing in een individuele asielzaak.
Belangrijkste punten
- 1Alsnog nemen van een besluit hangende beroep wegens niet tijdig beslissen geldt als tegemoetkomen ex artikel 8:75 Awb, zodat de minister in proceskosten wordt veroordeeld.
- 2Wegingsfactor 0,5 wordt toegepast omdat het hoger beroep uitsluitend zag op niet tijdig beslissen (niet op de inhoud).
- 3Het besluit van 26 juni 2026 wordt van rechtswege onderwerp van het geding op grond van artikel 6:20 lid 3 jo. 6:24 Awb.
- 4De Afdeling verwijst het beroep van rechtswege naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, zodat volledige feitelijke toetsing en hoger beroep mogelijk blijven.
- 5Vaste jurisprudentie bevestigd: intrekking hoger beroep na tegemoetkoming leidt tot proceskostenveroordeling van het bestuursorgaan.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt vaste Afdelingsjurisprudentie over proceskostenvergoeding bij niet-tijdig beslissen en de van-rechtswege-werking van artikel 6:20 Awb. De verwijzing naar de rechtbank borgt de volledige rechterlijke toetsingsketen in asielzaken.
Praktische impact
De minister moet € 467,00 aan proceskosten vergoeden aan verzoeker. De inhoudelijke beoordeling van de afgewezen asielaanvraag vindt plaats bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, waar verzoeker zijn beroep kan voortzetten.
Onderwerp-impact
Voor asielzoekers bevestigt deze uitspraak dat een minister die te laat beslist, ook bij intrekking van het hoger beroep, de proceskosten draagt. Dit biedt een prikkel tegen beslistermijnoverschrijdingen in asielprocedures.
Samenvatting
In deze zaak had een asielzoeker hoger beroep ingesteld bij de Raad van State omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig had beslist op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hangende het hoger beroep nam de minister op 26 juni 2026 alsnog een besluit, waarbij de asielaanvraag werd afgewezen. Verzoeker trok daarop het hoger beroep in en verzocht de Afdeling de minister te veroordelen in de proceskosten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het alsnog nemen van een besluit hangende het beroep wegens niet-tijdig beslissen, vaste rechtspraak volgend, wordt aangemerkt als tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75 Awb. Dit geeft aanleiding de minister in de proceskosten te veroordelen. Omdat het hoger beroep uitsluitend zag op de termijnoverschrijding en niet op de inhoud van de beslissing, past de Afdeling wegingsfactor 0,5 toe. De proceskostenvergoeding bedraagt daarmee € 467,00 voor het hogerberoepschrift. Het besluit van 26 juni 2026 wordt op grond van artikel 6:20 lid 3 jo. artikel 6:24 Awb van rechtswege geacht onderwerp te zijn van het geding. Omdat verzoeker heeft aangegeven het niet eens te zijn met de inhoudelijke afwijzing van zijn asielaanvraag, verwijst de Afdeling dit beroep van rechtswege naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank als eerste inhoudelijk oordeelt, zodat de normale rechterlijke toetsingsketen — inclusief de mogelijkheid van hoger beroep — bewaard blijft. De uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie en stelt geen nieuwe rechtsregels. De betekenis is primair procedureel: de minister draagt de kosten van de door zijn vertraging veroorzaakte procedure, en de inhoudelijke asielbeoordeling verschuift naar de bevoegde rechtbank.