JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4367Middel38/100

Iraanse afvallige krijgt nieuw asielbesluit na onvoldoende onderzoek

ECLI:NL:RVS:2026:4367, Raad van State, 28-07-2026, 202505248/1/V2

Raad van StateUitspraak: 28 juli 2026Publicatie: 28 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202505248/1/V2
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Asielrecht
Iran
Afvalligheid
Landeninformatie
Vervolgingsrisico

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 26 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 19 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Aziz Maleki-Khodajoo, advocaat in Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.

Kern van de zaak

Een Iraanse vreemdeling die zich beroept op afvalligheid of atheïsme heeft hoger beroep ingesteld tegen een afwijzing van zijn asielaanvraag. De minister stelde zich zonder nader onderzoek op het standpunt dat appellant geen gegronde vrees voor vervolging had. Appellant bestreed dit oordeel met een beroep op de onzekere situatie voor afvalligen en atheïsten in Iran.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is gegrond verklaard en zowel de rechtbankuitspraak als het besluit van 26 mei 2025 zijn vernietigd. De doorslaggevende reden is dat de Afdeling eerder (RVS:2026:1326) heeft geoordeeld dat de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld geeft over de situatie van afvalligen en atheïsten, zodat de minister niet zonder nader onderzoek een gegronde vrees voor vervolging mocht uitsluiten.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak past binnen een reeds uitgezette lijn (RVS:2026:1326) en voegt geen nieuwe rechtsregel toe, maar bevestigt en past die lijn toe op een individuele zaak; de impact is daarmee beperkt tot vergelijkbare lopende en toekomstige zaken over Iraanse afvalligen.

Belangrijkste punten

  • 1De Afdeling verwijst naar haar eerdere uitspraak ECLI:NL:RVS:2026:1326 als bindend kader voor de beoordeling van Iraanse afvalligen en atheïsten.
  • 2De minister kan zonder nader onderzoek niet concluderen dat ook terughoudend uitende afvalligen/atheïsten geen gegronde vrees voor vervolging hebben.
  • 3De rechtbank heeft dit vereiste van nader onderzoek niet onderkend, hetgeen tot vernietiging van haar uitspraak leidt.
  • 4De Afdeling laat overige beroepsgronden onbesproken omdat de minister een volledig nieuw besluit moet nemen op basis van de actuele feiten en omstandigheden.
  • 5Er zijn geen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht die aanleiding geven tot prejudiciële verwijzing (arrest Remling, ECLI:EU:C:2026:243).

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de lijn van RVS:2026:1326 dat bij Iraanse afvalligen en atheïsten — ook bij terughoudende uitingen — nader landenonderzoek verplicht is vóór afwijzing van de asielaanvraag. Dit versterkt de onderzoeksplicht van de minister in vergelijkbare zaken.

Praktische impact

Appellant krijgt een nieuwe beslissing op zijn asielaanvraag, waarbij de minister rekening moet houden met actuele feiten en een deugdelijk onderbouwd standpunt over het risico bij terugkeer naar Iran moet innemen. De proceskosten van € 2.802,00 komen voor rekening van de minister.

Onderwerp-impact

Voor Iraanse asielzoekers die zich beroepen op afvalligheid of atheïsme vergroot deze uitspraak de kans op een zorgvuldiger herbeoordeling, omdat standaard-afwijzingen zonder specifiek landenonderzoek naar deze groep niet langer houdbaar zijn.

Samenvatting

Een Iraanse vreemdeling die stelt afvallige of atheïst te zijn, heeft met succes hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. De minister van Asiel en Migratie had zich in het besluit van 26 mei 2025 op het standpunt gesteld dat appellant geen gegronde vrees voor vervolging had, zonder daarvoor nader onderzoek te verrichten. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht) bekrachtigde dit oordeel op 19 september 2025, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt nu zowel de rechtbankuitspraak als het besluit. Centraal staat de vraag of de minister bij de beoordeling van asielaanvragen van Iraanse afvalligen en atheïsten — ook bij personen die hun overtuiging terughoudend uiten — zonder nader onderzoek een gegronde vrees voor vervolging kan uitsluiten. De Afdeling beantwoordt die vraag ontkennend, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 12 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1326). Daarin oordeelde de Afdeling al dat de beschikbare landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld geeft over de positie van deze groep, zodat een standaard-afwijzing zonder aanvullend onderzoek onzorgvuldig is. De enige aangevoerde grief slaagt reeds op grond van dit gebrek, waardoor de overige beroepsgronden buiten bespreking blijven. De minister dient een volledig nieuw besluit te nemen en daarbij de actuele feiten en omstandigheden te betrekken. Een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie is niet aan de orde, omdat het hogerberoepschrift geen vragen oproept over de uitleg of geldigheid van Unierecht. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 2.802,00. De uitspraak heeft betekenis voor vergelijkbare zaken van Iraanse asielzoekers die zich op afvalligheid of atheïsme beroepen: de minister zal steeds een deugdelijk onderbouwd en op actuele landeninformatie gebaseerd oordeel moeten geven.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 5 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4600Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4600, Raad van State, 05-08-2026, 202407120/1/A3

Raad van State5 aug 2026OverheidHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4591Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4591, Raad van State, 05-08-2026, 202403948/1/R1

Raad van State5 aug 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4609Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4609, Raad van State, 05-08-2026, 202404306/1/R4.

Raad van State5 aug 2026OverheidVergunningen
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4455Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4455, Raad van State, 05-08-2026, 202301742/1/R1

Raad van State5 aug 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied