Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting hangende hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4365, Raad van State, 29-07-2026, BRS.26.003561
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (verzoeker) heeft bij de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen totdat op het hoger beroep is beslist, en om opvang en verstrekkingen te verkrijgen.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe: verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is gelegen in het aangevoerde in het verzoekschrift, in lijn met vaste jurisprudentie (RvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
Impactscore
LaagHet betreft een standaard voorlopige voorzieningsbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsvraag; de Afdeling past bestaande jurisprudentie toe zonder nadere motivering.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst totdat hoger beroep is beslist
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen mede onderdeel van het verzoek
- 3Toepassing vaste lijn Afdeling: uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak betreft een voorlopige maatregel; inhoudelijk oordeel over hoger beroep volgt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste praktijk van de Afdeling om bij voldoende aangevoerde gronden een schorsende werking te verbinden aan een ingesteld hoger beroep in vreemdelingenzaken. Er wordt geen nieuwe rechtsregel geformuleerd.
Praktische impact
Verzoeker kan niet worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt, en heeft recht op opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De minister draagt de proceskosten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken biedt het instellen van hoger beroep gecombineerd met een voorlopige voorzieningverzoek een effectief middel om dreigende uitzetting tijdelijk te blokkeren.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopige voorziening gevraagd. Het verzoek strekte ertoe dat zij niet zou worden uitgezet voordat op haar ingestelde hoger beroep zou zijn beslist, en dat zij gedurende die periode opvang en verstrekkingen zou ontvangen. De zaak bevindt zich in de hoger beroepsfase van een vreemdelingrechtelijk geschil met de minister van Asiel en Migratie. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen. Op grond van hetgeen door verzoeker is aangevoerd, acht de voorzieningenrechter termen aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij wordt verwezen naar de vaste lijn van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). De precieze inhoud van de aangevoerde gronden wordt in de uitspraak niet uitgewerkt, wat kenmerkend is voor dit type spoeduitspraken. Als gevolg hiervan is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep. Daarnaast is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, geheel toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze uitspraak heeft geen zelfstandige rechtsvormende betekenis; zij illustreert de bestaande praktijk waarbij de Afdeling in vreemdelingenzaken bij voldoende aanleiding bereid is de uitzetting te schorsen hangende de behandeling van het hoger beroep. De definitieve beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit volgt in de bodemprocedure.