Vreemdeling krijgt schorsing uitzetting in afwachting hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4363, Raad van State, 29-07-2026, BRS.26.003619
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 7 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter van de Raad van State. Hij verzocht om niet te worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en om recht op opvang en verstrekkingen.
Beslissing van de rechter
De voorlopige voorziening is toegewezen: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is gelegen in de aangevoerde gronden, waarbij de voorzieningenrechter aanleiding zag een voorziening te treffen conform vaste jurisprudentie (RVS 20 februari 2019).
Impactscore
LaagHet betreft een standaard procedurele voorlopige voorziening in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de specifieke zaak.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: schorsing van uitzetting tot beslissing op hoger beroep
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen is mede ingediend maar de uitspraak vermeldt enkel de schorsing van uitzetting
- 3Toepassing van vaste Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:457) als grondslag
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten ad € 934,00
- 5Uitspraak betreft een voorlopige maatregel; het hoger beroep ten gronde loopt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past vaste lijn toe waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen op basis van aangevoerde gronden zonder verdere inhoudelijke toetsing; dit bevestigt de bestaande praktijk in vreemdelingenzaken bij de Afdeling. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
De vreemdeling is beschermd tegen uitzetting totdat de Afdeling bestuursrechtspraak inhoudelijk heeft beslist op het hoger beroep, wat hem tijdelijk verblijf en rechtsbescherming biedt.
Onderwerp-impact
In de praktijk van het vreemdelingenrecht bevestigt deze uitspraak dat een verzoek om een voorlopige voorziening ter schorsing van uitzetting bij aanwezige beroepsgronden snel en effectief kan worden toegewezen.
Samenvatting
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 juli 2026 een voorlopige voorziening getroffen in een vreemdelingenzaak. De verzoeker had zowel hoger beroep ingesteld als een voorlopige voorziening gevraagd, inhoudende dat hij niet zou worden uitgezet in afwachting van de uitkomst van dat hoger beroep, en dat hij recht zou krijgen op opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De voorzieningenrechter oordeelt op basis van wat is aangevoerd dat er aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening, daarbij verwijzend naar de vaste lijn van de Afdeling zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Op grond hiervan wordt bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling op het ingestelde hoger beroep heeft beslist. Inhoudelijk toetst de voorzieningenrechter de zaak niet; de uitspraak is louter procedureel van aard en strekt ertoe de status quo te handhaven gedurende de lopende hogerberoepsprocedure. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de verzoeker, vastgesteld op € 934,00, geheel toe te rekenen aan professionele rechtsbijstand. De uitspraak heeft een beperkte juridische reikwijdte omdat zij geen nieuwe rechtsregels formuleert en de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep nog moet volgen. Voor de betrokken vreemdeling biedt de beslissing concrete bescherming: hij is vooralsnog gevrijwaard van uitzetting en kan de uitkomst van zijn zaak in Nederland afwachten.