Voorlopige voorziening overdracht aan Portugal afgewezen
ECLI:NL:RVS:2026:4360, Raad van State, 28-07-2026, BRS.26.003656
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 8 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om zijn overdracht aan Portugal te schorsen in afwachting van een hoger beroepsprocedure. Hij vroeg tevens om opvang en verstrekkingen te ontvangen. De zaak betreft een Dublin-overdracht waarbij Nederland stelt dat Portugal verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelt voorlopig dat niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd, en dat de overdracht aan Portugal geen onomkeerbare gevolgen heeft omdat terugkeer vanuit Portugal naar Nederland nog mogelijk is indien Nederland alsnog verantwoordelijk wordt geacht.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening in een Dublin-zaak, zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De uitspraak past volledig in de bestaande jurisprudentielijn van de Afdeling.
Belangrijkste punten
- 1Verzoeker vroeg schorsing van overdracht aan Portugal en opvang/verstrekkingen in afwachting van hoger beroep
- 2Voorzieningenrechter acht op voorlopig oordeel vernietiging van de rechtbankuitspraak niet aannemelijk
- 3Overdracht aan Portugal wordt niet als onomkeerbaar beschouwd: terugkeer naar Nederland blijft mogelijk
- 4Belangen van zowel de minister als verzoeker zijn gewogen, maar geven onvoldoende grond voor een voorziening
- 5Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de minister
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat Dublin-overdrachten in beginsel niet als onomkeerbaar worden aangemerkt, waardoor de drempel voor een schorsende voorlopige voorziening hoog blijft. Dit heeft een beperkende werking op de mogelijkheden voor vreemdelingen om overdracht via een kort geding bij de Raad van State te voorkomen.
Praktische impact
Verzoeker kan onmiddellijk worden overgedragen aan Portugal en heeft gedurende de afwikkeling van het hoger beroep geen recht op opvang en verstrekkingen in Nederland. Mocht het hoger beroep slagen, dan zal hij vanuit Portugal worden teruggeleid.
Onderwerp-impact
In asiel- en Dublin-procedures blijft de praktijk dat overdrachten worden doorgezet ondanks lopende hoger beroepsprocedures, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die onomkeerbare schade aantonen.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een vreemdeling de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om zijn overdracht aan Portugal te schorsen totdat op het door hem ingestelde hoger beroep zou zijn beslist. Tevens verzocht hij om opvang en verstrekkingen gedurende die periode. De zaak betreft een zogeheten Dublin-overdracht: op grond van de Dublinverordening heeft de minister vastgesteld dat Portugal en niet Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van verzoeker. De rechtbank had dit standpunt eerder bevestigd, waarna verzoeker hoger beroep instelde en tegelijkertijd een voorlopige voorziening vroeg. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Centraal in de beoordeling staat de vraag of de overdracht onomkeerbare gevolgen heeft. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend: mocht uiteindelijk in hoger beroep worden geoordeeld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, dan kan verzoeker vanuit Portugal naar Nederland worden teruggeleid. Er is dus geen sprake van een situatie die definitief en niet-herstelbaar nadeel oplevert. Daarnaast oordeelt de voorzieningenrechter op voorlopige gronden dat niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep zal worden vernietigd. De belangen van zowel de minister als de verzoeker zijn bij de afweging betrokken, maar geven geen aanleiding tot het treffen van een voorziening. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Deze uitspraak is illustratief voor de vaste benadering van de Afdeling in Dublin-zaken: overdrachten worden in beginsel niet geschorst enkel vanwege een lopend hoger beroep, tenzij bijzondere omstandigheden aannemelijk maken dat onomkeerbare schade dreigt. De lat voor het toewijzen van een voorlopige voorziening in dit type zaken blijft daarmee hoog.