JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4347Laag18/100

Minister hoeft rechtbankuitspraak asiel niet uit te voeren

ECLI:NL:RVS:2026:4347, Raad van State, 29-07-2026, BRS.26.003504

Raad van StateUitspraak: 29 juli 2026Publicatie: 27 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.003504
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Hoger Beroep
Voorlopige Voorziening
Asiel En Migratie
Schorsing Uitspraak
Minister Van Asiel

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

De minister van Asiel en Migratie heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank en verzoekt de voorzieningenrechter van de Raad van State een voorlopige voorziening te treffen zodat hij de uitspraak niet hoeft uit te voeren in afwachting van de hoger beroepsprocedure.

Beslissing van de rechter

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe: de minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. Doorslaggevend is dat de beoordeling van de grieven nader onderzoek vergt waarvoor de voorlopige voorzieningsprocedure zich niet goed leent, en dat de minister belangen heeft aangevoerd die een schorsing rechtvaardigen.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een procedurele voorlopige voorzieningsbeslissing zonder inhoudelijk oordeel over het geschil; de uitkomst is routine en stelt geen nieuwe rechtsregels.

Belangrijkste punten

  • 1Voorlopige voorziening toegewezen: schorsing van de verplichting tot uitvoering van de rechtbankuitspraak
  • 2De grieven in hoger beroep vergen nader onderzoek dat niet in een kortgedingachtige procedure past
  • 3De minister van Asiel en Migratie heeft relevante belangen naar voren gebracht ter onderbouwing van het verzoek
  • 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de minister
  • 5De schorsing geldt totdat de Afdeling bestuursrechtspraak definitief op het hoger beroep heeft beslist

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak illustreert de standaardtoepassing van artikel 8:81 Awb in hoger beroep bij de Raad van State, waarbij een ondeugdelijkheid van grieven niet vereist is en nader onderzoek volstaat als grond voor schorsing. De uitspraak heeft beperkte precedentwaarde door het procedurele karakter.

Praktische impact

De minister hoeft voorlopig geen uitvoering te geven aan wat de rechtbank heeft opgedragen in de onderliggende asiel- of migratiezaak, wat betekent dat de betrokken vreemdeling(en) vooralsnog geen aanspraak kunnen maken op het door de rechtbank toegewezen rechtsgevolg.

Onderwerp-impact

In asiel- en migratieprocedures bevestigt dit dat de overheid via een voorlopige voorziening de uitvoering van voor haar ongunstige rechtbankuitspraken effectief kan opschorten, wat de positie van vreemdelingen in lopende procedures tijdelijk nadelig beïnvloedt.

Samenvatting

In deze uitspraak van 29 juli 2026 beslist de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om voorlopige voorziening van de minister van Asiel en Migratie. De minister had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank en verzocht tegelijkertijd de voorzieningenrechter te bepalen dat hij die uitspraak niet hoefde uit te voeren zolang de hoger beroepsprocedure nog liep. De voorzieningenrechter honoreert dit verzoek. De centrale overweging is dat de beoordeling van de door de minister aangevoerde grieven nader onderzoek vergt, waarvoor de summiere voorlopige voorzieningsprocedure zich niet goed leent. In combinatie met de belangen die de minister heeft aangevoerd, acht de voorzieningenrechter een schorsing gerechtvaardigd. Er wordt geen inhoudelijk oordeel gegeven over de kans van slagen van het hoger beroep. Als gevolg hiervan hoeft de minister geen uitvoering te geven aan de rechtbankuitspraak totdat de Afdeling in de bodemprocedure een definitief oordeel heeft geveld. De minister wordt niet veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak heeft een puur procedureel karakter en stelt geen nieuwe rechtsregels. Zij illustreert de gangbare praktijk waarbij bestuursorganen bij de Raad van State schorsing kunnen verkrijgen van voor hen ongunstige rechtbankuitspraken, mits zij aannemelijk maken dat nader onderzoek nodig is en relevante belangen op het spel staan. Voor de betrokken vreemdeling(en) betekent de beslissing dat het door de rechtbank toegewezen rechtsgevolg voorlopig niet kan worden geëffectueerd, wat in asiel- en migratieprocedures ingrijpende feitelijke gevolgen kan hebben.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 9 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

Hoge Raad·18 sep 2026
Bestuursrecht
Belastingrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1486

Hoge Raad verduidelijkt proceskostenvergoeding WOZ buiten no-cure-no-pay

62/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Bestuursrecht
Belastingrecht
Schadevergoeding
Overheid
ECLI:NL:HR:2026:1494

Hoge Raad: Nederlandse proceskostenregeling niet in strijd met Unierecht

55/100Bekijk
Rechtbank Den Haag·18 sep 2026
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RBDHA:2026:27307

Asielaanvraag Syriër afgewezen wegens ongeloofwaardige Al Nusra-verklaringen

18/100Bekijk
Rechtbank Den Haag·16 sep 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Vergunningen
ECLI:NL:RBDHA:2026:27080

Vreemdelingenbewaring asielzoeker rechtmatig bevonden, beroep ongegrond

18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied