Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:4346, Raad van State, 29-07-2026, BRS.26.003079
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 27 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T. Bruinsma, heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn bewaring. De rechtbank had de bewaring rechtmatig geoordeeld. De vreemdeling betwistte dit oordeel in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen, en het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nadere inhoudelijke motivering. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitspraak heeft geen precedentwerking buiten de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1De Raad van State past artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: verkorte afdoening zonder nadere motivering omdat geen rechtseenheidsvragen spelen.
- 2De motivering van de rechtbank (overwegingen 3 en 4) wordt integraal overgenomen door de Afdeling.
- 3Er zijn geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht, conform het arrest HvJ 24 maart 2026 (Remling, ECLI:EU:C:2026:243).
- 4Ambtshalve toetsing levert evenmin een reden op om de bewaring onrechtmatig te achten.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak betreft een standaard toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en heeft geen zelfstandige precedentwerking. Het arrest Remling van het HvJ (2026) wordt toegepast als toetsingskader voor de vraag of Unierechtelijke uitlegvragen spelen.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent de uitspraak dat zijn bewaring rechtmatig blijft en hij geen aanspraak heeft op schadevergoeding of proceskosten. De maatregel van bewaring wordt daarmee ongewijzigd voortgezet.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingenzaken bevestigt deze uitspraak de vaste lijn dat bewaringsmaatregel-procedures verkorte afdoening kunnen krijgen bij afwezigheid van principiële rechtsvragen, wat de werklast bij de Afdeling beperkt.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn vreemdelingenbewaring. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de bewaring rechtmatig was opgelegd. De vreemdeling, bijgestaan door mr. T. Bruinsma uit Lemmer, bestreed dit oordeel in hoger beroep. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Daartoe heeft de Afdeling gebruik gemaakt van de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000, die toelaat dat een uitspraak zonder nadere motivering wordt bevestigd wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank integraal over. Daarnaast heeft de Afdeling getoetst of er Unierechtelijke uitlegvragen aan de orde zijn, waarbij zij het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 (Remling, ECLI:EU:C:2026:243) als maatstaf hanteert. Dat bleek niet het geval. Ook ambtshalve zag de Afdeling geen aanleiding om de bewaring alsnog onrechtmatig te achten. De uitspraak is een standaard toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure in vreemdelingenbewaringszaken en heeft geen zelfstandige precedentwerking. Voor de vreemdeling heeft de uitspraak de concrete consequentie dat zijn bewaring ongewijzigd rechtmatig blijft en hij geen recht heeft op vergoeding van proceskosten. De minister wordt niet veroordeeld tot het betalen van proceskosten.