JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4345Laag8/100

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:RVS:2026:4345, Raad van State, 28-07-2026, BRS.26.002783

Raad van StateUitspraak: 28 juli 2026Publicatie: 24 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening
Zaaknummer:BRS.26.002783
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Vergunningen
Niet Ontvankelijkheid
Voorlopige Voorziening
Griffierecht
Raad Van State
Betalingstermijn

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 19 juli 2023 en heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Kern van de zaak

Een verzoeker diende bij de Raad van State een verzoek om een voorlopige voorziening in tegen een beslissing van de minister. De griffier wees verzoeker op de verplichting griffierecht te betalen, met een deadline van 15 juni 2026, later verlengd tot 13 juli 2026. Verzoeker betaalde het griffierecht niet binnen de gestelde termijnen.

Beslissing van de rechter

Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard. De doorslaggevende reden is dat verzoeker het verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan binnen de (verlengde) termijn, ondanks expliciete waarschuwing dat niet-betaling tot niet-ontvankelijkheid zou leiden.

8van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een routinebeslissing op administratieve gronden zonder inhoudelijke beoordeling van het geschil. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord of precedenten gesteld.

Belangrijkste punten

  • 1Verzoeker werd bij brief van 8 juni 2026 gewezen op de betalingsverplichting van griffierecht met deadline 15 juni 2026.
  • 2De voorzieningenrechter verleende ambtshalve een nadere termijn tot 13 juli 2026 na het verweer van verzoeker.
  • 3Het griffierecht bleef ook na de verlengde termijn onbetaald.
  • 4Niet-betaling van griffierecht binnen de gestelde termijn leidt dwingend tot niet-ontvankelijkheid.
  • 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden nu het verzoek niet-ontvankelijk is.

Impactanalyse

Juridische impact

Deze uitspraak bevestigt de vaste lijn dat niet-betaling van griffierecht binnen de (eventueel verlengde) termijn onherroepelijk leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.

Praktische impact

Verzoeker verliest de mogelijkheid om via een voorlopige voorziening het bestreden besluit te laten schorsen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden en het besluit kan uitvoering vinden.

Onderwerp-impact

Voor procedures bij de overheid onderstreept deze uitspraak het belang van het tijdig nakomen van administratieve verplichtingen zoals griffierechten; het nalaten hiervan heeft directe en onomkeerbare processuele gevolgen.

Samenvatting

In deze zaak verzocht een particulier de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen in een geschil met de minister. De griffier wees verzoeker per brief van 8 juni 2026 op de plicht tot betaling van griffierecht, met een betalingstermijn tot uiterlijk 15 juni 2026. In die brief werd uitdrukkelijk vermeld dat niet-tijdige betaling tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek zou kunnen leiden. Nadat verzoeker zich nader had uitgelaten, verleende de voorzieningenrechter een coulancetermijn: het griffierecht diende uiterlijk 13 juli 2026 te zijn voldaan. Ook binnen deze verlengde termijn bleef betaling uit. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. De juridische grondslag is de wettelijke verplichting griffierecht te betalen als voorwaarde voor ontvankelijkheid van een bestuursrechtelijk verzoek. Het niet voldoen hiervan, ook na een expliciete waarschuwing en een extra termijn, verplicht de rechter het verzoek buiten behandeling te laten. De minister wordt niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak heeft geen inhoudelijk oordeel over het onderliggende geschil en stelt geen nieuwe rechtsnormen. Zij illustreert slechts de strikte handhaving van processuele drempelvoorwaarden in het bestuursrecht, waarbij de rechter zelfs na het verlenen van een nadere termijn geen ruimte heeft voor verdere soepelheid. Voor rechtzoekenden benadrukt dit het cruciale belang van tijdige naleving van administratieve verplichtingen bij het instellen van rechtsmiddelen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 8 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

Hoge Raad·18 sep 2026
Bestuursrecht
Belastingrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1486

Hoge Raad verduidelijkt proceskostenvergoeding WOZ buiten no-cure-no-pay

62/100Bekijk
Hoge Raad·18 sep 2026
Bestuursrecht
Belastingrecht
Schadevergoeding
Overheid
ECLI:NL:HR:2026:1494

Hoge Raad: Nederlandse proceskostenregeling niet in strijd met Unierecht

55/100Bekijk
Rechtbank Den Haag·18 sep 2026
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RBDHA:2026:27307

Asielaanvraag Syriër afgewezen wegens ongeloofwaardige Al Nusra-verklaringen

18/100Bekijk
Rechtbank Den Haag·16 sep 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Vergunningen
ECLI:NL:RBDHA:2026:27080

Vreemdelingenbewaring asielzoeker rechtmatig bevonden, beroep ongegrond

18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied