Uitzetting vreemdeling opgeschort in afwachting hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:4343, Raad van State, 28-07-2026, BRS.26.003578
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft de voorzieningenrechter van de Raad van State verzocht een voorlopige voorziening te treffen om uitzetting te voorkomen en opvang te verkrijgen, in afwachting van de beslissing op zijn hoger beroep in een asiel- of migratieprocedure.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe: de vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld in de proceskosten van € 934,00; de doorslaggevende reden is gelegen in de aangevoerde gronden, beoordeeld aan de hand van de vaste lijn uit de uitspraak van 20 februari 2019.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige voorlopige voorzieningsbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitkomst is sterk casusgericht en heeft geen bredere juridische doorwerking.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting opgeschort totdat op hoger beroep is beslist
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen eveneens onderdeel van het verzoek
- 3Grondslag: vaste jurisprudentielijn RvS van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457)
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding proceskosten € 934,00 (rechtsbijstand)
- 5Uitspraak is een kortgedingachtige beslissing zonder inhoudelijke beoordeling van de asielgronden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past binnen de vaste lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak inzake voorlopige voorzieningen in vreemdelingenzaken en heeft geen zelfstandige precedentwerking; de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep staat nog open.
Praktische impact
De vreemdeling wordt voorlopig beschermd tegen uitzetting en heeft recht op opvang en verstrekkingen gedurende de hoger beroepsprocedure, wat zijn rechtspositie tijdelijk stabiliseert.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratiezaken biedt dit type voorlopige voorziening een standaardinstrument om dreigende onherstelbare schade (uitzetting) te voorkomen gedurende de lopende procedure.
Samenvatting
In deze zaak heeft een vreemdeling de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet voordat op zijn hoger beroep is beslist, en dat hij in de tussentijd recht heeft op opvang en verstrekkingen. Het verzoek is ingediend naast het instellen van hoger beroep in een asiel- of migratieprocedure tegen de minister van Asiel en Migratie. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen op basis van de door verzoeker aangevoerde gronden. Daarbij wordt verwezen naar de vaste jurisprudentielijn van de Afdeling, neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457), die de maatstaf biedt voor het treffen van een voorlopige voorziening in dit soort zaken. De uitspraak bevat geen inhoudelijke beoordeling van de asielgronden zelf; die toets is voorbehouden aan de bodemprocedure in hoger beroep. Als gevolg van de toegewezen voorlopige voorziening mag de minister de vreemdeling niet uitzetten zolang het hoger beroep nog loopt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, volledig toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is van beperkte juridische betekenis buiten de individuele zaak: zij volgt een standaardprocedure en introduceert geen nieuwe rechtsnormen. Voor de betrokken vreemdeling is de praktische betekenis echter aanzienlijk, omdat uitzetting tijdelijk wordt geblokkeerd en zijn verblijfs- en opvangrechtpositie gedurende de procedure wordt gewaarborgd.