JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4339Laag28/100

Omgevingsvergunning vier woningen Alkmaar in stand gehouden

ECLI:NL:RVS:2026:4339, Raad van State, 27-07-2026, 202406059/1/R1 en 202406059/2/R1

Raad van StateUitspraak: 27 juli 2026Publicatie: 24 juli 2026
Procedure:Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zaaknummer:202406059/1/R1 en 202406059/2/R1
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Vastgoed
Vergunningen
Ruimtelijke Ordening
Omgevingsvergunning
Overgangsrecht Omgevingswet
Bestemmingsplan
Bezonning
Beleidsruimte

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 25 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar aan B.V. Beleggingsmaatschappij EMA een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een nieuw pand op het perceel Krebbesteeg 3 in Alkmaar. Op 25 januari 2023 is door het college aan EMA een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een nieuw pand op het perceel Krebbesteeg 3 in Alkmaar. Het bouwplan voorziet in de realisatie van vier woningen. [verzoekster] woont op het naastgelegen perceel, [locatie]. Zij vreest met name voor afname van zonlicht op haar dakterras en in haar woning. Omdat EMA met de bouwwerkzaamheden is gestart, heeft [verzoekster] op 9 juni 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. [verzoekster] betoogt dat de rechtbank miskent dat het college voor het afwijken van het bestemmingsplan ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

Kern van de zaak

Een buurvrouw aan de Krebbesteeg in Alkmaar vecht een omgevingsvergunning aan die het college heeft verleend aan EMA voor de bouw van vier woningen op het naastgelegen perceel. Zij vreest verlies van zonlicht op haar dakterras en in haar woning. Omdat de bouw al was gestart, diende zij een verzoek om voorlopige voorziening in.

Beslissing van de rechter

De Raad van State doet onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak op grond van artikel 8:86 Awb omdat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling. Op basis van de beschikbare informatie lijkt het hoger beroep ongegrond, waarbij de rechter benadrukt dat het college beleidsruimte toekomt bij de afweging om af te wijken van het bestemmingsplan en de bestuursrechter slechts toetst of het besluit in overeenstemming is met het recht.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak betreft een individueel geval van een omgevingsvergunning voor vier woningen en bevestigt bestaande jurisprudentie over beleidsruimte en overgangsrecht Omgevingswet; er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld. De tekst van de uitspraak is bovendien onvolledig, wat de analyse met enige onzekerheid omgeeft.

Belangrijkste punten

  • 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend (25 augustus 2022), blijft de Wabo van toepassing
  • 2Verzoekster heeft op de zitting haar gronden over slopen, buitenunits, warmtepompen en airco's ingetrokken
  • 3Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing om af te wijken van het bestemmingsplan; de bestuursrechter toetst slechts de rechtmatigheid
  • 4De voorzieningenrechter past artikel 8:86 Awb toe en doet onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak
  • 5Bezonningsnormen van TNO (streng en licht) spelen een rol bij de beoordeling van de gevolgen voor de buurvrouw

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de terughoudende toetsing van de bestuursrechter bij discretionaire bevoegdheden van het college om af te wijken van het bestemmingsplan, en verduidelijkt de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De zaak illustreert de grens tussen beleidsruimte en rechterlijke toetsing op onevenredigheid.

Praktische impact

Voor de buurvrouw betekent de uitspraak dat de bouw van vier woningen op het naastgelegen perceel door kan gaan en zij haar vrees voor verlies van zonlicht juridisch niet succesvol heeft kunnen omzetten in een schorsing of vernietiging van de vergunning. EMA kan de bouwwerkzaamheden voortzetten.

Onderwerp-impact

Voor de woningbouw en ruimtelijke ordening bevestigt deze uitspraak dat gemeenten bij binnenstedelijke verdichting een ruime beoordelingsmarge behouden, ook als omwonenden bezonningshinder ondervinden, zolang de belangen zorgvuldig zijn afgewogen.

Samenvatting

Deze uitspraak van de Raad van State betreft het hoger beroep van een buurvrouw tegen een door het college van de gemeente Alkmaar verleende omgevingsvergunning voor de realisatie van vier woningen op het perceel Krebbesteeg 3 in Alkmaar. De vergunning was op 25 januari 2023 verleend aan EMA. De buurvrouw, woonachtig op het naastgelegen perceel, vreest met name voor afname van zonlicht op haar dakterras en in haar woning als gevolg van het nieuwe gebouw. Omdat EMA reeds met de bouwwerkzaamheden was begonnen, diende zij op 9 juni 2026 een verzoek om voorlopige voorziening in. Een centrale vraag in de procedure is het toepasselijke recht. Omdat de aanvraag om omgevingsvergunning op 25 augustus 2022 is ingediend — dus vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 — blijft op grond van het overgangsrecht de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing. De voorzieningenrechter van de Raad van State oordeelt dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling en doet op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak. Verzoekster had op de zitting al diverse gronden ingetrokken, waaronder die over sloopwerkzaamheden, buitenunits en warmtepompen. Ten aanzien van de bezonning overweegt de Raad van State dat het college beleidsruimte toekomt bij de beslissing om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. De bestuursrechter toetst niet zelf of de vergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt slechts op basis van de beroepsgronden of het besluit rechtmatig is — waarbij het evenredigheidsbeginsel een rol kan spelen. De uitspraak bevestigt aldus bestaande lijnen in de jurisprudentie over discretionaire bevoegdheden in het omgevingsrecht. Opmerking: de uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de uiteindelijke dictum met enige onzekerheid wordt weergegeven.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 29 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4410Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4410, Raad van State, 29-07-2026, 202501680/1/A2

Raad van State29 jul 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4406Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4406, Raad van State, 29-07-2026, 202402336/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4419Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4419, Raad van State, 29-07-2026, 202402095/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenRuimtelijke Ordening
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4404Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4404, Raad van State, 29-07-2026, 202407843/1/R3 en 202407846/1/R3

Raad van State29 jul 2026VergunningenMilieu
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied