Raad van State vernietigt last onder bestuursdwang garagevloer Javis
ECLI:NL:RVS:2026:4290, Raad van State, 22-07-2026, 202402362/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 8 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag Javis onder aanzegging van bestuursdwang gelast om de bouwwerkzaamheden op het perceel Cederstraat 31 in Den Haag te staken en gestaakt te houden totdat de benodigde omgevingsvergunning is verleend. Javis is eigenaar en verhuurder van het perceel. Op de begane grond bevindt zich een garagebedrijf en op de eerste en tweede verdieping aan de straatzijde van het gebouw zijn bovenwoningen aanwezig. Naar aanleiding van meerdere meldingen van overlast en schade heeft een inspecteur van de gemeente op 29 maart 2021 geconstateerd dat Javis bouwwerkzaamheden in de garage uitvoerde zonder omgevingsvergunning. Voor het vervangen van de garagevloer zijn 28 heipalen de grond in geslagen, waardoor het gaat om een constructieve wijziging van de garagevloer. De inspecteur heeft de werkzaamheden op 29 maart 2021 per direct stilgelegd. Omdat de bouwwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning werden uitgevoerd, heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd. Javis is het niet eens met de aan haar opgelegde last onder bestuursdwang. Volgens haar was voor de bouwwerkzaamheden geen omgevingsvergunning vereist.
Kern van de zaak
Javis, eigenaar en verhuurder van een pand in Den Haag, voerde bouwwerkzaamheden uit in een garage waarbij 28 heipalen werden geslagen voor een nieuwe garagevloer. Het college van B&W Den Haag legde een last onder bestuursdwang op wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning. Javis bestreed dat een vergunning vereist was.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank Den Haag als het besluit van het college van B&W Den Haag. Het college wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, omdat het oorspronkelijke besluit juridisch niet standhield.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor handhavingspraktijk en de uitleg van vergunningvrij bouwen onder het Bor, maar heeft een beperkt precedentkarakter omdat het een specifieke feitelijke situatie betreft en het college nog een nieuw besluit moet nemen.
Belangrijkste punten
- 1Op de zaak blijft de Wabo van toepassing vanwege overgangsrecht Omgevingswet (art. 4.23 Invoeringswet): de last onder bestuursdwang dateerde van vóór 1 januari 2024.
- 2Het college legde op 8 april 2021 een last onder bestuursdwang op wegens het uitvoeren van bouwwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning.
- 3Javis betoogde dat voor de vervanging van de garagevloer (inclusief 28 heipalen) geen omgevingsvergunning vereist was, mogelijk op grond van artikel 3 bijlage II Bor.
- 4De Afdeling oordeelt in het voordeel van Javis en vernietigt het besluit van het college, evenals de uitspraak van de rechtbank Den Haag.
- 5Het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van vergunningplicht bij constructieve wijzigingen aan garagevloeren en de toepassing van bijlage II Bor, met name de vergunningvrije categorieën. Het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet wordt toegepast ten aanzien van vóór 2024 opgelegde handhavingsbesluiten.
Praktische impact
Javis ontkomt voorlopig aan de gevolgen van de last onder bestuursdwang; het college moet opnieuw beslissen. Eigenaren en verhuurders van panden kunnen zich beroepen op vergelijkbare jurisprudentie bij discussies over vergunningplicht voor vloer- en funderingswerken.
Onderwerp-impact
Voor de bouwpraktijk en vastgoedeigenaren biedt deze uitspraak houvast over wanneer constructieve wijzigingen aan een garagevloer al dan niet vergunningplichtig zijn onder het Bor, wat relevant is bij renovatie- en herstelwerkzaamheden aan bestaande gebouwen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een handhavingskwestie in Den Haag waarbij Javis BV, eigenaar en verhuurder van een gemengd gebouw met een garagebedrijf op de begane grond en bovenwoningen, in 2021 bouwwerkzaamheden uitvoerde aan de garagevloer. Daarbij werden 28 heipalen de grond in geslagen, wat de gemeente kwalificeerde als een constructieve wijziging waarvoor een omgevingsvergunning vereist was. Na constatering door een gemeentelijke inspecteur op 29 maart 2021 werden de werkzaamheden per direct stilgelegd. Op 8 april 2021 legde het college van B&W Den Haag een last onder bestuursdwang op. Javis maakte bezwaar en stelde dat de werkzaamheden vergunningvrij waren, onder verwijzing naar artikel 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De rechtbank Den Haag verwierp dit standpunt op 5 maart 2024, waarna Javis in hoger beroep ging bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Vooraf stelde de Afdeling vast dat ondanks de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 de oude Wabo van toepassing blijft op dit geval, op grond van het overgangsrecht in artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet. De centrale juridische vraag was of de uitgevoerde werkzaamheden – het vervangen van de garagevloer met gebruikmaking van 28 heipalen – als vergunningvrije bouwactiviteit konden worden aangemerkt. De Afdeling oordeelt ten gunste van Javis, verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit van het college. Het college wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De uitspraak is van belang voor de uitleg van vergunningvrij bouwen bij constructieve werkzaamheden aan bestaande vloeren en funderingen.