JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:4286Laag28/100

RvS stelt langere begunstigingstermijn bij handhaving kamergewijze verhuur

ECLI:NL:RVS:2026:4286, Raad van State, 22-07-2026, 202504375/1/R2

Raad van StateUitspraak: 22 juli 2026Publicatie: 22 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202504375/1/R2
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Handhaving
Vastgoed
Vergunningen
Bestemmingsplan
Gelijkheidsbeginsel
Begunstigingstermijn
Last Onder Dwangsom
Kamergewijze Verhuur

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant] vanwege kamergewijze verhuur in strijd met het bestemmingsplan.Tijdens een controle heeft een toezichthouder van de gemeente vastgesteld dat op de bovenverdieping van de bedrijfsruimte direct achter de bedrijfswoning drie kamers worden verhuurd. Het college heeft na een hercontrole een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant] vanwege kamergewijze verhuur in strijd met het bestemmingsplan. [appellant] heeft in bezwaar gevallen aangedragen, waarbij volgens [appellant] ook in strijd met het bestemmingsplan wordt gewoond, maar waarbij het college niet is overgegaan tot handhaving. Volgens [appellant] heeft het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door bij hem wel te handhaven. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

Kern van de zaak

Een ondernemer in Veldhoven kreeg een last onder dwangsom opgelegd wegens kamergewijze verhuur in strijd met het bestemmingsplan. Hij beriep zich op het gelijkheidsbeginsel omdat het college bij vergelijkbare gevallen niet of anders handhaafde. De rechtbank oordeelde deels in zijn voordeel maar bepaalde een begunstigingstermijn tot 1 januari 2026.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze een begunstigingstermijn had bepaald. De Afdeling stelt zelf een nieuwe begunstigingstermijn vast tot 1 augustus 2027, waarbij de handhavingsbevoegdheid van het college in stand blijft.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak betreft een casuïstische correctie van een begunstigingstermijn in een individueel handhavingsgeschil en stelt geen nieuwe rechtsregels. De juridische overwegingen zijn weinig vernieuwend en de impact reikt niet verder dan de directe betrokkenen.

Belangrijkste punten

  • 1Kamergewijze verhuur op een perceel met bestemming 'Bedrijventerrein' is in strijd met het bestemmingsplan
  • 2Het gelijkheidsbeginsel speelt een rol bij handhaving: het college heeft onvoldoende verklaard waarom bij appellant met prioriteit 1 werd opgetreden terwijl vergelijkbare overtredingen als prioriteit 2 werden aangemerkt
  • 3De rechtbank herriep de begunstigingstermijn maar bleef de handhavingsbevoegdheid intact laten; de RvS corrigeert alleen de termijnbepaling
  • 4De Raad van State stelt de begunstigingstermijn ambtshalve vast op 1 augustus 2027, ruimer dan de door de rechtbank bepaalde termijn
  • 5Het hoger beroep betreft uitsluitend de begunstigingstermijn; de handhavingsbeslissing zelf blijft in stand

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat de rechter bij vernietiging van een begunstigingstermijn zelf een nieuwe termijn kan vaststellen en daarbij rekening houdt met de redelijke herstelmogelijkheden van de overtreder. Het gelijkheidsbeginsel leidt niet tot afstel van handhaving, maar kan invloed hebben op de prioritering en termijnstelling.

Praktische impact

Appellant krijgt tot 1 augustus 2027 de tijd om de kamergewijze verhuur te beëindigen of te legaliseren, wat hem aanzienlijk meer ruimte geeft dan de door de rechtbank bepaalde termijn. Het college behoudt zijn handhavingsbevoegdheid en kan na afloop van de termijn de dwangsom invorderen.

Onderwerp-impact

Voor eigenaren van bedrijfspercelen met een bedrijfswoning is relevant dat kamergewijze verhuur van bedrijfsruimte in beginsel niet is toegestaan en dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel weliswaar de handhaving kan nuanceren maar niet uitsluit.

Samenvatting

In deze zaak staat een ondernemer in Veldhoven centraal die op zijn bedrijfsperceel drie kamers verhuurde op de bovenverdieping van zijn bedrijfsruimte. Het perceel heeft de bestemming 'Bedrijventerrein' met de aanduiding 'bedrijfswoning', waardoor kamergewijze verhuur in strijd is met het bestemmingsplan. De gemeente legde een last onder dwangsom op. De ondernemer voerde in bezwaar aan dat het college in vergelijkbare gevallen niet of anders handhaafde, en dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank gaf hem op dit punt deels gelijk: het college had onvoldoende uitgelegd waarom bij appellant direct met de hoogste prioriteit (prioriteit 1) werd opgetreden, terwijl vergelijkbare overtredingen als prioriteit 2 werden aangemerkt. De rechtbank herriep het besluit voor zover daarin een begunstigingstermijn was opgenomen en bepaalde zelf een nieuwe termijn tot 1 januari 2026. Het college ging in hoger beroep bij de Raad van State, specifiek gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde begunstigingstermijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze de begunstigingstermijn had bepaald en in de plaats van het bestreden besluit was getreden. De Afdeling stelt zelf een nieuwe begunstigingstermijn vast tot 1 augustus 2027, waarmee de appellant meer tijd krijgt om de strijdige situatie op te heffen. De handhavingsbevoegdheid van het college blijft volledig intact. De uitspraak illustreert dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel bij handhaving weliswaar relevant kan zijn voor de wijze en urgentie van optreden, maar niet leidt tot het volledig achterwege laten van handhaving. De rechter kan bij vernietiging van een begunstigingstermijn zelf een redelijke nieuwe termijn vaststellen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 22 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4268Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4268, Raad van State, 22-07-2026, 202407951/1/R2

Raad van State22 jul 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4282Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4282, Raad van State, 22-07-2026, 202500140/1/R4

Raad van State22 jul 2026OverheidVergunningen
22/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4270Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4270, Raad van State, 22-07-2026, 202402337/1/R3

Raad van State22 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4272Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4272, Raad van State, 22-07-2026, 202500298/1/R2

Raad van State22 jul 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied